direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Entree
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Oost Gelre is in samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V. voornemens het huidige regionaal bedrijvenpark Laarberg uit te breiden. Hiervoor zijn al een Masterplan 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' (vastgesteld 18 december 2012) en een Structuurvisie (vastgesteld 17 december 2013) opgesteld. Deze vormen het kader voor concrete ontwikkelingen.


De beoogde uitbreiding Laarberg is gelegen ten noorden van Groenlo, grenzend aan de bestaande bedrijventerreinen Laarberg (1e fase) en Den Sliem. Den Sliem is met name bedoeld voor lokaal gebonden bedrijvigheid. Laarberg, ruimtelijk als een verlengstuk hiervan, is bedoeld als een regionaal bedrijvenpark. Het ligt gunstig langs de N18, zowel vanuit het oogpunt van bereikbaarheid als vanuit zichtbaarheid. Met bedrijvenpark Laarberg wordt voorkomen dat verspreid in de regio nieuwe bedrijventerreinen (soms als uitleggebieden) ontwikkeld moeten worden.

Voor de uitbreiding van Laarberg (fase 2) is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin is opgenomen dat er een eenduidig beeld in de rooilijn gerealiseerd dient te worden. De Noordgang heeft in Laarberg fase 1 een breedte van circa 34 meter, in de plannen voor Laarberg fase 2 is dit profiel versmald naar 20 meter. Dit betekent dat er een verspringing tot 21 meter in de rooilijn langs de Noordgang kan ontstaan. Om de gewenste eenduidige beeld langs de rooilijn te realiseren en om te voorkomen dat na het gereedkomen van de nieuwe afrit N18 het eerste kavel (westelijke van het Bolwerk) niet uitgegeven kan worden conform het gewenste beeld zal het bestemmingsplan moeten worden aangepast.

Daarnaast zijn er concrete plannen voor een tankstation en een langparkeerterrein voor vrachtwagens op de kavel ten oosten van het Bolwerk. Dit tankstation en dit parkeerterrein passen eveneens niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Oost Gelre’. De ontwikkeling van het tankstation en het parkeerterrein zijn ook onderdeel van dit bestemmingsplan.

Als gevolg van de aanleg van de afrit van de nieuwe N18 wordt een rotonde aangelegd in de kruising van de Noordgang en het Bolwerk. Deze rotonde past niet geheel binnen de vigerende bestemmingsplannen. Omdat de rotonde grenst aan de hierboven beschreven kavels, maakt deze rotonde eveneens onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein Laarberg welke grenst aan het bedrijventerrein Den Sliem. De Laarberg is een regionaal bedrijventerrein en bestemd voor de 'zwaardere' categorie bedrijven met de milieuklasse 3 tot en met 5. Het plangebied behelst twee kavels en de rotonde van de Noordgang. De weg het Bolwerk loopt door het midden van het plangebied. Op afbeelding 1-1 is het plangebied weergegeven.

De rotonde en de Noordgang vormen met de nieuwe afrit van de N18 de entree van Laarberg. De nieuwe afrit zal vanuit het noorden op de rotonde uitkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0001.png"

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerende plannen

Voor het plangebied, zoals op afbeelding 1-1 is aangegeven, vigeren de bestemmingsplannen 'Bedrijventerreinen Oost Gelre' en 'Bedrijventerreinen herziening westzijde Bolwerk te Groenlo', door de gemeenteraad vastgesteld op respectievelijk 9 juli 2013 en 17 december 2013.

Deze bestemmingsplannen voorzien gezamenlijk in een profiel van circa 34 meter breed voor de bestemming 'Verkeer' ten behoeve van de Noordgang. Met het uitwerken van Laarberg fase 2 is het profiel van de bestemming 'Verkeer' ten behoeve van de Noordgang in westelijke richting versmald naar circa 20 meter. Tevens is met de uitwerking van Laarberg fase 2 de ligging van het bouwvlak veranderd. Wanneer de plannen voor Laarberg fase 1 en 2 ontwikkeld worden confom de vigerende bestemmingsplannen kan er een verspringing tot 21 meter in de rooilijn langs de Noordgang ontstaan. Dit is niet wenselijk. Om een eenduidig beeld in de rooilijn te realiseren dienen de bestemming 'Bedrijventerrein' en het bouwvlak in het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen herziening westzijde Bolwerk te Groenlo' in noordelijke richting verruimd te worden.

Daarnaast is het voornemen om op de kavel ten oosten van het Bolwerk een tankstation met een verkooppunt voor waterstof en cng te realiseren. Binnen de vigerende bestemming ´Bedrijventerreinen´ zijn bedrijven tot categorie 4.2 toegestaan. Een verkooppunt voor motorbrandstoffen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' of ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'. Deze aanduiding is echter niet opgenomen ter plaatse van het projectgebied. Het ter plaatse realiseren van een tankstation c.q.een verkooppunt voor motorbrandstoffen, is daarmee in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Ter plaatse van Laarberg wordt een nieuw tracé voor de N18 aangelegd. Ten opzichte van de huidige N18 ligt deze iets oostelijker. Tevens worden ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg op- en afritten aangelegd. De aansluiting van Laarberg op de N18 is voorzien middels een rotonde. Deze rotonde past niet geheel binnen de vigerende bestemmingsplannen.

 

Onderhavig bestemmingpslan voorziet in deze ontwikkelingen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van Europa, het Rijk, de provincie en betrokken gemeenten uiteen gezet. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de doelstelling en uitgangspunten. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van Groenlo. In 2013 heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Bedrijventerrein' gekregen, maar het was tot voor kort nog in agrarisch gebruik. Ondertussen zijn de werkzaamheden voor het bouwrijp maken begonnen.

Op de kaart van rond 1900 (afbeelding 2-1) is het ontstaan van het landschap goed te zien. Het plangebied ligt binnen de heideontginningen met een rechtlijnige verkaveling. De Hupselsche beek (tegenwoordig Leerinkbeek), de Slinge, de Ruiterweg en de Oude Borculoseweg zijn de kenmerkende lijnen.

Het plangebied is gelegen nabij de Grolse Linie, een aanvalslinie die Frederik Hendrik in 1627 voor het eerst gebruikte om Grolle (het huidige Groenlo) in de Tachtigjarige oorlog van de Spanjaarden te ontzetten. De Grolse Linie om Groenlo is voor het grootste deel nog intact in de bodem aanwezig. Deze Grolse Linie is gelegen in agrarisch gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0002.png" Afbeelding 2-1: Plangebied omstreeks 1900 en in 2015

De verkavelingspatronen van het jonge ontginningenlandschap zijn tegenwoordig nog steeds zichtbaar, zie afbeelding 2-1. De rechtlijnige patronen van het ontginningsgebied zijn vooral zichtbaar door de lijnvormige beplantingsstructuren.

2.2 Geluidszonering

Het gebied is bestemd als bedrijventerrein. Het westelijke perceel heeft een toegestane milieucategorie van 3.1 tot 3.2 en het oostelijke perceel een van 3.1 tot 4.2. In de herziening 'westzijde Bolwerk te Groenlo' is voor het westelijke perceel ook een milieucategorie van 3.1 tot 4.2 meegenomen.

Rond de bedrijventerreinen Den Sliem en Laarberg fase 1 is ingevolge artikel 41 van de oude Wet geluidhinder in 2009 een geluidzone vastgesteld.

De geluidzone is feitelijk een bufferzone tussen de bedrijven op het bedrijventerrein en de geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving. Een vastgestelde geluidzone biedt aan alle belanghebbenden duidelijkheid. Buiten de zone mag de geluidsbelasting vanwege alle bedrijven op het bedrijventerrein tezamen niet hoger zijn dan 50 dB(A). Voor de bestaande woningen in de zone zijn hogere grenswaarden vastgesteld. In de zone kunnen alleen nieuwe woningen worden gerealiseerd indien hiervoor hogere grenswaarden worden vastgesteld. Dit is alleen onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Op deze wijze is de maximale geluidsbelasting op de omgeving vastgelegd.

De vastgestelde geluidzone rondom Den Sliem/Laarberg fase 1 is weergegeven in afbeelding 2-2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0003.png"

Afbeelding 2-2 Huidige geluidzone Den Sliem/Laarberg fase 1

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Begin 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteits- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid heeft onder meer de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de Structuurvisie Randstad 2040 vervangen. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water-)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen m.b.t. (inter-)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt.

Daarnaast wordt (boven-)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's met concentraties van topsectoren (waaronder Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beoordeeld of er sprake is van een regionale behoefte, of deze behoefte is op te vangen in bestaand stedelijk gebied en of de beoogde locatie multimodaal ontsloten is of kan worden.

Met het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, Laarberg Centraal' (vastgesteld 15 juli 2014) is bedrijvigheid op Laarberg Centraal reeds mogelijk gemaakt. Dit bestemmingsplan maakt enkel een andere inrichting van dat plan en een kleine uitbreiding van het plangebied mogelijk.

De behoefte aan bedrijventerreinen is reeds aangetoond in het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Achterhoek. In de Achterhoek is regionaal behoefte aan bedrijventerreinen voor zware milieuhinderlijke bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid past gezien de omvang en de hinder niet binnen bestaand stedelijk gebied. Derhalve zijn er afspraken gemaakt om het bedrijvenpark te vestigen buiten de bebouwde kom van Groenlo.

De locatie op Laarberg is via de N18 goed ontsloten voor autoverkeer en busvervoer. Hiermee voldoet onderhavig plan aan de ladder van duurzame verstedelijking.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden was het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kernbeslissingen (PKB's). Sinds 1 juli 2008 zijn deze documenten alleen nog bindend voor het rijk en niet meer voor andere overheden. Het rijk kiest ervoor om het deel van het ruimtelijk beleid dat bedoeld is bindend te zijn voor andere overheden, ook onder de Wro te borgen. Dit kan via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).


Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt over ruimtelijke ordening.

Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau, in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren, de Waddenzee, defensie, erfgoederen en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).


Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. In deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, reserveringsgebieden voor nieuwe hoofdwegen en spoorlijnen en reserveringsgebieden voor uitbreiding van enkele bestaande hoofdwegen.

Op 1 juli 2014 zijn de wijzigingen van het Barro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wijziging heeft betrekking op buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die van nationaal belang zijn. Tevens is hiermee een aantal verbeteringen aangebracht in het Barro.

In bijlage E van het Barro zijn radarzones weergegeven. Het bedrijventerrein ligt binnen een radarzone (gebied rondom zend- en ontvangstinstallaties buiten militair luchtvaartterrein antennepark Eibergen). Hier geldt een maximale bouwhoogte van 22 meter.

Verdrag van Malta

Het Europese Verdrag van Malta (1992) beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt te behouden. Het verdrag dwingt alle ondertekenaars (waaronder Nederland) om archeologische belangen in een vroegtijdig stadium mee te wegen in de besluitvorming rond ruimtelijke planvorming. Het Verdrag van Malta is geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving in de Wet archeologische monumentenzorg (herziening Monumentenwet).

Conclusie 

Het plangebied ligt in een in het Barro aangewezen radarzone. De ontwikkeling van onderhavig plangebied heeft verder geen betrekking op thema's uit het Barro. Vanuit het Barro zijn alleen bindende regels ten aanzien van radarzones opgenomen die gevolgen hebben voor het plangebied/voorliggende bestemmingsplan. De radarzone is verwerkt op de verbeelding en in de planregels.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland

De Gelderse Omgevingsvisie (vastgesteld 9 juli 2014 en geconsolideerd in 2015 en 2016) is een integrale visie, niet alleen op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook voor waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie is de vervanger van het streekplan en enkele andere structuurvisies.

In de omgevingsvisie van Gelderland zijn twee provinciale hoofdoelen vastgesteld: 'een duurzame economische structuur' en 'het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving'. Deze doelen zijn vertaald in drie provinciale ambities: een divers, dynamisch en mooi Gelderland.

Het Actualisatieplan Omgevingsvisie heeft betrekking op de thema's: water, detailhandel, energietransitie, geluid, natuur, landbouw, economie, bedrijventerreinen en cultuur en erfgoed.

Enkele beleidsrichtingen en nieuwe accenten, relevant voor de ontwikkeling regionaal bedrijvenpark Laarberg, zijn:

  • De provincie heeft op regionale schaal afspraken met partners over wonen en bedrijventerreinen gemaakt. Deze afspraken blijven staan en worden met partijen verder doorontwikkeld.
  • Ruimte voor bedrijvigheid is vastgelegd in afspraken met partijen op regionaal niveau. De provincie verwijst in de Omgevingsvisie naar deze afspraken. Zij biedt verder ondersteuning aan bedrijven die zich duurzaam willen ontwikkelen door waar mogelijk te faciliteren bij processen en procedures.

Ten aanzien van regionale bedrijventerreinen, regionale programmeringsafspraken en energieopwekking hanteert de provincie Gelderland de volgende uitgangspunten.

Regionale bedrijventerreinen

Regionale terreinen vervullen een belangrijke opvangfunctie voor de grotere, zwaardere bedrijven (wat betreft milieuhindercategorie) die op hoogwaardige bereikbaarheid (A-wegen) zijn aangewezen. Het gaat om bedrijven met een kavel groter dan 0,5 hectare waarvan vestiging op een lokaal bedrijventerrein niet gewenst is. De provincie vindt het van belang dat dit type bedrijvigheid zich in elke Gelderse regio duurzaam kan vestigen op zulke hoogwaardige terreinen, waarbij met name ruimte voor bedrijven uit milieucategorie 4 en 5 wordt gewaarborgd en waarbij bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 niet zijn toegestaan.

Regionale programmeringsafspraken

De provincie gaat uit van de regionale programmeringsafspraken over voorraden en soorten bedrijventerreinen die in 2011 zijn gemaakt. Deze afspraken zorgen voor voldoende kwaliteit en kwantiteit van bedrijventerreinen. Daarin staan onder meer afspraken over regionale bedrijventerreinen, intergemeentelijke terreinen en 'natte' bedrijventerreinen die middels een vaarwegennetwerk bereikbaar zijn. Het uitgangspunt is zorgvuldig ruimtegebruik: terughoudend zijn met het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen.

Energieopwekking en energieneutraliteit in de Achterhoek

Hoewel het provinciale doel is om in 2050 energieneutraal te zijn, wil de Achterhoek al in 2030 energieneutraal zijn. Dit wil de Achterhoek bereiken door in te zetten op energiebesparing en op de productie van hernieuwbare enerie, voornamelijk zonne-energie en biogas. De provincie wil echter verder kijken dan alleen zon en biogas. De Achterhoek zal ook een bijdrage moeten leveren aan verplichting die de rijksoverheid aan Gelderland oplegd om 210 MW aan windenergie op land te realiseren.

Omgevingsverordening Gelderland

Bij de Omgevingsvisie Gelderland worden regels gesteld. Deze regels zijn gesteld in de Omgevingsverordening Gelderland (vastgesteld 24 september 2014 en geconsolideerd in 2015 en 2016).

De omgevingsverordening stelt regels aan regionale bedrijventerreinen. Bedrijfsfuncties uit milieucategorieën 1 en 2 en bedrijfsfuncties die gemengd kunnen worden zijn niet toegestaan op regionale bedrijventerreinen. Hiervan kan afgeweken worden indien deze bedrijven en bedrijfsfuncties een ondersteunende functie vervullen voor de bedrijven op het bedrijventerrein of wanneer de vestiging van deze bedrijven vanwege de milieuzonering of op grond van overwegingen van ruimtelijke kwaliteit gewenst zijn.

Structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties

De Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties is een aanpassing van het beleid voor bedrijventerreinen van het in 2005 vastgestelde streekplan Gelderland. Op 30 juni 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties is een aanpassing van het structuurvisiebeleid als gevolg van de volgende ontwikkelingen:

  • Toekomstprognoses wijzen erop dat na 2020 de vraag naar bedrijventerreinen sterk zal afnemen, op termijn (vanaf 2025) treedt zelfs krimp op.
  • Maatschappelijk is er weerstand tegen de verrommeling van het landschap ontstaan. Dit vertaalt zich in de vraag naar meer regie van de provincie op het (her)ontwikkelen van de juiste kwaliteit bedrijventerrein op de juiste plek.

Uitgangspunt van het nieuwe beleid is dat er eerst optimaal gebruik wordt gemaakt van bestaande bedrijventerreinen voordat er nieuwe worden ontwikkeld. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid blijft beleidsuitgangspunt, maar overschot aan bedrijventerrein moet worden voorkomen. Verder vraagt de provincie Gelderland aan de gemeenten om extra aandacht te besteden aan kwalitatieve aspecten, zoals een goede ruimtelijke inpassing, een zorgvuldige vormgeving en een zo laag mogelijke milieubelasting. Het nieuwe beleid wordt in overleg met samenwerkende gemeenten op regionaal niveau uitgewerkt en tot uitvoering gebracht. In een Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) moet de weerslag van het provinciale beleid zichtbaar worden.

Regionale bedrijventerreinen

Regionale terreinen vervullen een belangrijke (opvang)functie voor de grotere, zwaardere (wat betreft milieuhindercategorie) en op hoogwaardige bereikbaarheid (A-wegen) aangewezen bedrijven. De provincie vindt van belang dat dit type bedrijvigheid zich duurzaam kan vestigen op dit soort hoogwaardige terreinen. In de structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties is de locatie Laarberg aangewezen als een regionaal bedrijventerrein.

Conclusie

Laarberg betreft een regionaal bedrijvenpark dat voorziet in de opvang van grotere en zwaardere bedrijven. In het plangebied zijn uitsluitend bedrijven toegestaan met een milieucategorie van 3.1 tot en met 4.2. Hiermee blijkt dat categorie 1 en 2 bedrijven zijn uitgesloten. Wel wordt in een deel van het plangebied grootschalige detailhandel toegestaan. Ook deze grootschalige bedrijven passen binnen deze milieucategorie. Met deze voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het plangebied wordt voorzien in de ambitie van de provincie ten aanzien van de opvangfunctie van grotere en zwaardere bedrijven op regionale terreinen

3.3 Regionaal beleid

Regionale structuurvisie Achterhoek

De visie 'Speerpunten Regionaal Ruimtelijk beleid Achterhoek 2011-2020' geeft de beleidsambities van acht Achterhoekse gemeenten voor de regionale economie, volkshuisvesting, landschappelijke kwaliteit, leefbaarheid en mobiliteit. De visie is een aanvulling en actualisatie op de Regionale Structuurvisie Achterhoek uit 2004 en legt de nadruk op andere speerpunten ten gevolge van de demografische ontwikkelingen.

In de visie uit 2004 was uitgangspunt voor de positionering van de Achterhoek ten opzichte van andere regio's: de doorontwikkeling als een economisch en sociaal-cultureel zelfstandige regio die zich naar buiten toe met name profileert met haar kleinschaligheid en gebiedskwaliteiten. Een grotere dynamiek in de regio wordt nagestreefd met behoud van de eigen ruimtelijke kwaliteit.

Ten aanzien van bedrijventerreinen is het algemene uitgangspunt: het juiste bedrijf op de juiste locatie. Er wordt ruimte geboden voor groei van locale bedrijvigheid in bestaande sectoren als detailhandel, bouwnijverheid en industrie en in relatief nieuwe sectoren als recreatie, toerisme, dienstverlening en op het gebied van gezondheid en zorg. Aan nieuwe keuzes en ontwikkelingen gaat regionale afstemming vooraf.

Speerpunten zijn:

  • demografische ontwikkeling;
  • oriëntatie op externe relaties (met het KAN-gebied, Twente, Duitsland, Stedendriehoek);
  • de verandering van het platteland;
  • duurzame energie.

Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Achterhoek

In regionaal verband hebben de gemeenten en de provincie in de regio Achterhoek afspraken rondom bedrijventerreinen vastgelegd (Regionaal programma bedrijventerreinen RPB). In het voorjaar van 2009 heeft de Regio Achterhoek haar Economisch Programmerings- en Ontwikkelingsdocument (EPO) opgesteld. Met het RPB wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie bedrijventerreinen en werklocaties. Het RPB biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten. De provincie Gelderland is partner op diverse onderwerpen. Zij is nauw betrokken bij afspraken over vraag en aanbod, aanpak van de herstructurering en implementatie van de SER-ladder.

Op subregionaal niveau zijn de volgende aanvullende afspraken gemaakt:

  • het regionaal afsprakenkader over planning en programmering van bedrijventerreinen tussen Regio Achterhoek en provincie;
  • de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van bedrijventerreinen;
  • het toetsingskader voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen in de regio.

In het RPB is Laarberg opgenomen als ontwikkeling waar zware milieuhinderlijke bedrijvigheid kan worden opgevangen.

Conclusie

Met onderliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de Regionale structuurvisie Achterhoek en het RPB Achterhoek.

3.4 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie Oost Gelre

In de 'Toekomstvisie Oost Gelre' zijn de wensbeelden van de gemeente voor 2020 weergegeven. Ook komt aan de orde hoe de gemeentelijke organisatie met dat toekomstbeeld omgaat. In 2020 komt dat onder andere tot uiting in het feit dat Oost Gelre voor Oost-Achterhoek de belangrijkste speler is op het gebied van industriële bedrijvigheid. De (gerevitaliseerde) industrieterreinen concentreren zich daarbij rond de verbindingsweg tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Er zijn goede mogelijkheden voor betaalbaar openbaar vervoer, wat overigens gestimuleerd wordt door de aanwezige bedrijven.

Het regionale duurzame bedrijvenpark 'De Laarberg' in Groenlo is gevuld met diverse verhuisde bedrijven, afkomstig uit de gehele Oost Achterhoek, maar ook met een groot aantal nieuwe bedrijven. Aan duurzame energie en duurzaamheid in zijn algemeenheid wordt veel waarde gehecht.

Alle milieubelastende bedrijven zijn uit de kernen verdwenen. Verder zijn de bedrijven zo ingericht dat mogelijke milieuproblemen al bij de bron worden aangepakt. Dit maakt het wonen en recreëren in Oost Gelre prettig en veilig. Er zijn dan ook geen klachten meer als gevolg van industriële bedrijvigheid en aan het industrieel erfgoed worden nieuwe bestemmingen gegeven. Bedrijven kunnen ook buurten en buurtschappen 'adopteren' om zo de sociale duurzaamheid in Oost Gelre te stimuleren.

Structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg'

Voor de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark is een structuurvisie 'Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg' opgesteld (vastgesteld 17 december 2013). De structuurvisie vormt het kader voor de toekomstige ontwikkelingen voor het regionaal bedrijvenpark. Aan de hand van de structuurvisie kunnen voor concrete ontwikkelingen bestemmingsplannen op maat worden opgesteld.

In de structuurvisie is de ruimtelijke visie beschreven op de gehele ontwikkeling en zijn randvoorwaarden voor de nadere invulling opgenomen.

In de structuurvisie is opgenomen dat fase 1 en 2 ruimtelijk samen moeten gaan.

Conclusie

Met onderliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de Toekomstvisie Oost Gelre en de stuctuurvisie.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Beeldkwaliteit

De concreetheid van het voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om nadere invulling te geven aan het beeldkwaliteitsplan (23 oktober 2012, Bijlage 1). Voor onderhavig plangebied geldt dat hier bedrijven worden gerealiseerd met een milieucategorie 3.1 tot en met 4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0004.png"

afbeelding 4-1: Beeldkwaliteit Bedrijventerrein Laarberg

Beeldregie hoog

Daar waar het plangebied grenst aan de Noordgang en Bolwerk zijn hoge beeldregie-eisen opgelegd, aangezien dit de etalage is van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg. Eisen zijn noodzakelijk om de ruimtelijke kwaliteit en samenhang te kunnen waarborgen.

De samenhang wordt bereikt door de organisatie van de kavel, de wandvorming en het kleurgebruik van de hoofdmassa.

De organisatie van de kavel is erop gericht dat het parkeren, de opslag en het laden en lossen uit het zicht plaatsvindt, wandvorming speelt daarin een belangrijke rol. De wandvorming dient als begrenzing van de Verbindingszone.

De wandvorming wordt gecreëerd door in het aanzicht minimaal 80% van de rooilijn te bebouwen, waarvan minimaal 30% in de eerste rooilijn. De eerste rooilijn ligt op 3 meter uit de perceelgrens en de tweede rooilijn op 7 meter. Indien er geen bouwprogramma aanwezig is, dan is er de mogelijkheid dit door middel van een 'pergolaconstructie' of een schijngevel vorm te geven. Belangrijk aspect is dat de pergolaconstructie of schijngevel onderdeel is van de architectuur en in overeenstemming is met de aanliggende kavels. De voorkeur gaat uit naar de eis van 80% bouwen in de rooilijn.

De samenhang in kleur tussen de verschillende ontwikkelingen wordt bereikt door de hoofdmassa van de bebouwing uit te voeren in middengrijs tot antraciet tinten. Indien men een hekwerk wil plaatsen dan zal dit in de eerste of tweede rooilijn plaatsvinden. Deze is maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur.

Onderdelen   Eisen  
Organisatie van de kavel   - Geen parkeren in het zicht
- Geen opslag in het zicht
- Geen laden en lossen in het zicht  
Rooilijn   - Verplicht bouwen in de rooilijn
- 1ste rooilijn op 3 meter van de perceelsgrens met openbare ruimte
- 2de rooilijn op 7 meter van de perceelsgrens met openbare ruimte
- In aanzicht: minimaal 80% van de rooilijn bebouwd
- minimaal 30% in de 1ste rooilijn bouwen  
Kleur   - De hoofdmassa in een midden-grijs tot antraciet tint  
Hoogte   - 1ste rooilijn, tussen de 6 en 7 meter
- 2de rooilijn maximaal 15 meter  
Dak   - Plat dak  
Erfafscheiding   - Haag (bijv. beukenhaag) op de perceelsgrens aan de zijde van de naar de weg toegekeerde gevel (60 à 80 cm hoog)
- Indien hekwerk, dan verplicht in 1ste of 2de rooilijn; maximaal 2 meter hoog en antraciet van kleur  

4.2 Ontwikkeling tankstation

Het tankstation is voorzien op de kavel ten oosten van het Bolwerk. Een sfeerimpressie van de ontwikkeling is weergegeven op afbeelding 4-2. Het betreft nog een schetsontwerp, welke nog verder wordt uitgewerkt en dient te voldoen aan de beeldkwaliteitseisen. De ontwikkeling behelst een Multi Fuel Service Station, een tankstation, een E-laadstation, een car/truckwash, een stofzuigstation en een servicegebouw met verkoopruimte gecombineerd met een lounge voor langer verblijf (bijvoorbeeld tijdens het E-laden). Rondom het servicegebouw is een Drive Thru voorzien.

Naast pompen voor fossiele brandstof komen er ook pompen voor waterstof en cng. Er wordt ruimte gereserveerd voor parkeren voor werknemers en voor langparkeren/overnachtingsplekken voor vrachtwagens direct naast de Carwash. Kortparkeren is voorzien langs de Noordgang. Het langparkeren wordt gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de vraag die ontstaat met het realiseren van de nieuwe N18. Het bundelen van langparkeren op een aangewezen plek is eveneens wenselijk om overlast elders op de Laarberg/Den Sliem tegen te gaan.

Een schijngevel is voorzien in de eerste rooilijn op 3 meter uit de erfscheiding, hierin is het servicegebouw geïntegreerd. Op de perceelsgrens is een haag voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0005.png"

Afbeelding 4-2: Sfeerimpressie van het schetsontwerp

Ontsluiting en parkeren

In het beeldkwaliteitsplan wordt geëist dat de parkeeropgave van het tankstation plaatsvindt op eigen terrein en uit het zicht. Het parkeren vindt (met uitzondering van het langparkeren) plaats achter de schijngevel, waarmee deze uit het zicht is onttrokken.

De entree voor het tankstation, de wasstraat en het parkeren is voorzien aan de Noordgang. Aan het Bolwerk zijn de uitritten voorzien. De voornaamste reden voor deze in- en uitritconstructie is verkeersbewegingen over het bedrijvenpark vanaf de afrit N18 te beperken.

4.3 Rotonde ontsluiting Laarberg

Als verlengde van de aansluiting op de nieuwe N18 wordt een rotonde aangelegd in de kruising van de Noordgang met het Bolwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0006.png"

Afbeelding 4-3: Aansluiting nieuwe N18 op Noordgang – Bolwerk door middel van rotonde

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In het kader van de bestemmingsplannen 'Bedrijventerreinen Oost Gelre' en 'Bedrijventerreinen herziening westzijde Bolwerk te Groenlo' heeft een toets plaatsgevonden naar omgevingsaspecten. De voorgenomen herziening van een deel van dit bestemmingsplan (westelijke kavel) heeft geen gevolgen voor deze uitvoerbaarheidsaspecten. In onderstaande paragrafen wordt daarom alleen in gegaan op de ontwikkelingen op de oostelijke kavel waar het tankstation gerealiseerd wordt en de nieuw aan te leggen rotonde voor de ontsluiting van Laarberg.

5.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)

Wettelijk kader

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn.

Toetsing

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een

stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking

heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer

woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling

bestaat uit de realisatie van één tankstation. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de

drempelwaarde.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) dient te worden beoordeeld of de in het plangebied te realiseren activiteiten een belemmering betekenen of van invloed zijn op gevoelige functies, zoals wonen, in of in de omgeving van het plangebied.

Beleid

Bedrijvigheid kan negatieve effecten met zich mee brengen voor woningen en gevoelige functies in de omgeving. Negatieve effecten kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op geur, geluid, stof en trillingen. Andersom kunnen woningen een belemmerend effect hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven. Het is daarom wenselijk dat bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).

In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.

Tabel 5.2 Richtafstanden per milieucategorie

Milieucategorie   Richtafstanden tot een 'rustige woonwijk'   Richtafstanden tot een 'gebied met menging van functies'  
1.   10 meter   0 meter  
2.   30 meter   10 meter  
3.1   50 meter   30 meter  
3.2   100 meter   50 meter  
4.1   200 meter   100 meter  
4.2   300 meter   200 meter  
5.1   500 meter   300 meter  
5.2   700 meter   500 meter  
5.3   1.000 meter   700 meter  
6.   1.500 meter   1.000 meter  

Plangebied

In de huidige situatie is binnen het plangebied wat betreft milieucategorieën ruimte voor categorie 3.1 tot en met 4.2 bedrijven. Binnen dit bestemmingsplan blijven bedrijven in milieucategorie 3.1 tot en met 4.2 mogelijk. Een tankstation waar ook cng en waterstof worden verkocht, past binnen deze milieucategorieën. Omdat cng eveneens als lpg een vloeibaar gas is en de effecten vergelijkbaar zijn, is een tankstation waar cng verkocht wordt gelijk te stellen aan een tankstation voor de verkoop van lpg (milieucategorie 3.1 bij een doorzet van minder dan 1.000 m3/jaar of milieucategorie 4.1 bij een doorzet van meer dan 1.000 m3/jaar).

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.3 Verkeer

Bedrijvenpark Laarberg is gunstig gelegen en goed bereikbaar. Via de N18 is aansluiting op hte snelwegennetwerk A18, A12 en A35. Er ontbreekt echter een directe verbinding met Duitsland.

Autoverkeer

Op 20 augustus 2013 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu het Tracébesluit N18 Varsseveld - Enschede vastgesteld. Doel van dit tracébesluit is om de N18 op delen aan te passen, om een aantal verkeersveiligheidsmaatregelen in de N18 te treffen en om tussen Groenlo en Enschede een nieuw tracé aan te leggen. Ter plaatse van Laarberg wordt een nieuw tracé voor de N18 aangelegd. Ten opzichte van de huidige N18 ligt deze iets oostelijker. Tevens worden ter hoogte van het bedrijvenpark Laarberg op- en afritten aangelegd.

Fietsverkeer

De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Het fietsnetwerk voorziet in de utilitaire fietsverbindingen in noord-zuid richting via het oude spoorlijntracé en het tracé van de huidige N18 enerzijds en via de Deventer Kunstweg anderzijds. In oost-west richting wordt een verbinding gelegd tussen dit noord-zuidtracé en de Deventer Kunstweg. Hier wordt gedacht aan een vrijliggend fietspad. Hierdoor wordt het mogelijk om dit fietspad deels door de Verbindingszone en deels langs en over de Grolse Linie te situeren. Dit versterkt het recreatieve karakter van deze route als onderdeel van het regionale recreatieve fietsknooppuntennetwerk. In noordwestelijke richting sluit deze fietsknooppuntenroute aan op de Deventer Kunstweg. Nabij de aansluiting op de N18 bevindt zich knooppunt 50 waarbij de route over het viaduct over de N18 loopt en zich uitsplitst in noordelijke richting via de Wolvenkamerweg en in zuidelijke richting via de Schietbaan.

Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer wordt in de toekomst afgewikkeld via de bestaande N18, welke als parallelstructuur van de opgewaardeerde N18 functioneert. Door de uitbreiding van het gehele bedrijvenpark Laarberg komt de huidige halte (kruising N18/ Vredenseweg) decentraal te liggen. Een nieuwe halte dient centraler te komen liggen, zodat het gehele bedrijvenpark Laarberg op relatief korte loopafstand van het openbaar vervoer bereikbaar is. De locatie ter plaatse van de entree van het bedrijvenpark en het Groot Hoornwerk biedt daar kansen voor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0007.png"

Afbeelding 5-1: Beoogde nieuwe ontsluitingssctructuur Laarberg op nieuwe N18

Verkeer als gevolg van voorgenomen ontwikkelingen

Het verkeer wordt afgewikkeld via het verlengde van de Noordgang, welke aangesloten is op de N18. De kruising van de Noordgang met het Bolwerk wordt uitgevoerd in een rotonde.

Het verkeer kan rondrijden over het terrein van het tankstation. Via de Noordgang kan ingereden worden, waarna het terrein via het Bolwerk weer te verlaten is. Het parkeerterrein krijgt een eigen inrit.

De functie van het westelijke perceel verandert niet. De ontwikkelingen hebben geen significante invloed op de verkeersaantrekking. Laarberg is ingericht om het verkeer van nieuwe activiteiten te kunnen afwikkelen. Laarberg kan derhalve een eventuele verkeersaantrekkende werking huisvesten.

Parkeren

Parkeren dient te geschieden op eigen terrein. In de plannen van het tankstation zijn parkeerplaatsen voor werknemers meegenomen. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de parkeernormen die de gemeente Oost Gelre hanteert. Voor arbeidsextensieve bedrijven in het gebiedstype 'rest van de bebouwde kom' hanteert de gemeente een parkeernorm van 1,0 parkeerplek per 100 m2 bvo. Omdat voorzien wordt in maximaal 300 m2 bvo, kan volstaan worden met 3 parkeerplaatsen voor werknemers. Er is voldoende ruimte om te voorzien in deze 3 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het tankstation voorziet daarnaast in voldoende opstelplaatsen voor de verschillende vormen van tanken en het afhalen van artikelen. Al het parkeren vindt plaats op eigen terrein.

Met het aanleggen van de nieuwe N18 ontstaat er een grotere behoefte aan langparkeerplaatsen voor vrachtwagens. Dit plan kan deels in deze behoefte voorzien door ruimte aan 10 langparkeerplaatsen te bieden, oostelijk van het tankstation.

De langparkeerplaatsen worden gerealiseerd voor het gehele bedrijvenpark Laarberg/Den Sliem.

Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.4 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen', van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel wordt ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' ('Wlk') genoemd. Uit de 'Wet luchtkwaliteit' volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo verbetering van de luchtkwaliteit plaats door mitigerende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de afzonderlijke concentraties van de componenten NO2 en PM10 veroorzaakt van maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarden van NO2 en PM10. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Onderzoek

In het kader van het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Oost Gelre' is de invloed op de luchtkwaliteit en de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrrein Laarberg fase 1 onderzocht.

 

In het onderzoek is alleen de bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in de lucht berekend. De concentratie fijnstof (PM10) is niet berekend aangezien de planbijdrage aan de fijnstofconcentratie veel lager zal zijn dan de bijdrage aan de concentratie NO2. De lage achtergrondconcentratie voor fijnstof geeft ook geen aanleiding om deze lage bijdrage te berekenen.

Conclusie

Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 op het gehele bedrijvenpark Laarberg niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkelingen. De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen, maar de grenswaarden worden niet overschreden of zelfs maar benaderd. De verwachte toenames vinden daarnaast vrijwel niet plaats bij (eventueel) gevoelige bestemmingen.

Het aspect luchtkwaliteit levert daarmee geen belemmering op voor het uitvoeren van het bestemmingsplan. Dit plan heeft geen substantiële toename van verkeer tot gevolg en de verwachting is dat er in de toekomst geen overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen zullen plaatsvinden.

5.5 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

Voor bedrijventerreinen Den Sliem en Laarberg fase 1 is een geluidszone opgesteld op basis van de Wet geluidhinder (zie ook hoofdstuk 2.2). De geluidzone is feitelijk een bufferzone tussen de bedrijven op het bedrijventerrein en de geluidsgevoelige bestemmingen in de omgeving. Het plangebied is gelegen op het gezoneerde industrieterrein. Het produceren van geluid is toegestaan, mits de geluidsbelasting buiten de geluidzone de 50 dB niet overschrijdt. De voorgenomen bedrijvigheid was reeds voorzien en draagt niet onevenredig bij aan de geluidhinder. Hiermee zal de geluidhinder buiten de zone niet hoger zijn dan 50 dB.

Voor dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt en de geluidszone wordt niet vergroot. Om die reden kan een akoestisch onderzoek achterwege blijven. Daarom kan worden geconcludeerd dat aan deze eisen van de Wet geluidhinder wordt voldaan.

Een kruising/rotonde was reeds voorzien op deze locatie. Ten aanzien van het aspect geluid verandert er derhalve niets aan de situatie.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.6 Geurhinder

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Bij geur van bedrijven gaat het om de geuruitstoot (emissie) van bedrijven die zich verspreidt via de lucht en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting (of ‘immissie') verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning ‘terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend.

Zoals eerder vermeld zijn op deze locatie activiteiten met een milieucategorie van 3.1-4.2 toegestaan.

De voorgestelde milieuzonering voorziet in hoofdlijnen in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Bij vestiging van een bedrijf vindt in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaats. Wanneer blijkt dat, ondanks de aangebrachte milieuzonering, niet aan de geldende geurnormen wordt voldaan, moet het plan worden aangepast of moeten emissiebeperkende maatregelen worden getroffen volgens de 'best beschikbare technieken' (BBT) om geurhinder op de omgeving te beperken. Bij naleving van deze regels kan een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd.

Specifiek voor voorliggend bestemmingsplan geldt dat de beoogde ontwikkelingen geurrelevante activiteiten kunnen zijn. Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een tankstation (milieucategorie 4.1) een richtafstand van 30 meter. Voor bedrijven tot en met categorie 4.2 geldt een richtafstand van maximaal 300 meter voor geurhinder. Het dichtstbij liggende geurgevoelige object (activiteiten Groot Hoornwerk) ligt ten noorden van het plangebied op ongeveer 72 meter. Op het nabij gelegen Groot Hoornwerk worden beperkt gevoelige functies mogelijk gemaakt waar mensen voor een korte periode (aantal uren aaneen) verblijven. Daarnaast zijn de functies op het Groot Hoornwerk mogelijk gemaakt als onderdeel van een bedrijventerrein. Zodoende mogen de richtafstanden tot aan een 'gebied met menging van functies' met nog eens één afstandsstap versoepeld worden.

Deze inwaartse milieuzonering maakt onderdeel uit van de bestemmingsregels en is terug te vinden op de verbeelding en in de planregels.

Conclusie

Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het kader van de externe veiligheid dient, in het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituaties. In de volgende besluiten en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een bestemmingsplan:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven.
  • Circulaire Risiconomering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire Rnvgs). De Circulaire Rnvgs is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater.
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen.
  • Vuurwerkbesluit. In het vuurwerkbesluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld.
  • Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Oost Gelre haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.

De gemeente heeft haar ambities per gebiedstype geformuleerd. Voor het plangebied is het gebiedstype 'ruimte voor industrie' relevant:

Het betreft hier de industrie- en bedrijventerreinen in Oost Gelre. In deze gebieden zijn economie, bedrijvigheid en werkgelegenheid de belangrijkste uitgangspunten. De gebieden bieden maximale ruimte voor bedrijven, waarbij aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan. Een verdergaand beschermingsniveau dat ten koste gaat van de ontplooiingsruimte voor bedrijven wordt onwenselijk geacht. Hierbinnen is overschrijding van de oriënterende waarde voor het groepsrisico evenals toename van het groepsrisico onder voorwaarden acceptabel.

Binnen ‘ruimte voor industrie’ geldt het volgende ambitieniveau ten aanzien van het groepsrisico:

  • De oriënterende waarde van het groepsrisico is slechts richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken. Indien noodzakelijk voor het in stand houden van de industriële activiteiten zal de gemeente Oost Gelre een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico toestaan, mits daarvoor gewichtige redenen zijn. Hierover zal advies bij de regionale en lokale brandweer worden ingewonnen. De gemeente Oost Gelre vereist geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico als:
    • 1. het groepsrisico tot een factor 10 onder de oriënterende waarde ligt;
    • 2. het een marginale toename van het groepsrisico betreft (tot maximaal 10% beschouwt de gemeente Oost Gelre de toename als marginaal);
    • 3. de geplande kwetsbare objecten buiten het invloedsgebied liggen;
    • 4. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een nagenoeg maagdelijke omgeving betreft (zeer laag groepsrisico);
    • 5. het een enkel ((beperkt) kwetsbaar) object in een al zeer volle omgeving betreft, waardoor het effect op het groepsrisico minimaal is.

Pas als de risicosituatie niet voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden vereist de gemeente Oost Gelre een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico, waarbij naast de wettelijk verplichte aspecten ook aandacht wordt besteed aan de overige criteria:

  • Een toename van het groepsrisico wordt, mits gemotiveerd en voorzien van een positief advies van de Regionale brandweer, geaccepteerd.

Risiconormen inrichtingen en vervoer gevaarlijke stoffen

De overheid stelt grenzen aan de externe risico's van gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het risico op een plaats langs een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval bij de buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor buisleidingen geldt dat binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als richtwaarde.

Tabel 5.3 Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Kwetsbare objecten   Beperkt kwetsbare objecten  
Woningen   Verspreid liggende woningen (2/ha)  
Ziekenhuizen, bejaarden- en verpleeghuizen e.d.   Dienst- en bedrijfswoningen  
Scholen en dagopvang minderjarigen   Kantoorgebouwen (<1.500 m2)  
Kantoorgebouwen en hotels (> 1.500 m2)   Hotels en restaurants (< 1.500 m2)  
Winkelcentra (> 1.000 m2 > 5 winkels)   Winkels  
Winkel met supermarkt (> 2.000 m2)   Sport-, kampeer- en recreatieterreinen (< 50 pers.)  
Kampeer- en verblijfsrecreatieterrein (> 50 pers.)   Bedrijfsgebouwen  
Andere gebouwen met veel personen   Equivalente objecten  
  Objecten met hoge infrastructurele waarde  

Groepsrisico

De cumulatieve kans per jaar dat een aantal personen overlijdt als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Het groepsrisico wordt weergegeven in een zogenaamde fN-curve. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt. In plaats daarvan wordt het groepsrisico gerelateerd aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De beschouwing door het bevoegde gezag ten aanzien van deze kwantitatieve waarde is een van de elementen uit de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Binnen deze verantwoording kan het bevoegde gezag van deze waarde afwijken.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Verantwoording van het groepsrisico is een onderdeel van het externe veiligheidsbeleid. Door middel van een verantwoordingsplicht willen de bevoegde overheden aanzetten tot nadenken over onder andere de omvang van het groepsrisico in relatie tot de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Voor buisleidingen is de verantwoordingsplicht uitgewerkt in het Bevb en voor inrichtingen in het Bevi.

Verantwoording groepsrisico inrichtingen

Op basis van het Bevi moeten gemeenten bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit (zoals een bestemmingsplan) het groepsrisico verantwoorden. Conform het Bevi moeten ten minste de volgende aspecten in de bestuurlijke afweging van het groepsrisico worden vermeld:

  • Het aantal personen in het invloedsgebied;
  • Het groepsrisico;
  • De mogelijkheden tot risicovermindering;
  • De mogelijke alternatieven (pro-actie);
  • De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid (preventie, preparatie en repressie);
  • De mogelijkheden voor zelfredzaamheid.

Verantwoording groepsrisico buisleidingen

Op basis van het Bevb moeten gemeenten bij het vaststellen van een bestemmingsplan het groepsrisico verantwoorden. Hierbij maakt het Bevb een onderscheid tussen een beperkte verantwoording van het groepsrisico en een uitgebreide verantwoording. Onder de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verstaan dat alleen inzicht gegeven moet worden in:

  • de aanwezigheid van personen binnen het invloedsgebied;
  • de hoogte van het groepsrisico per kilometer;
  • de mogelijkheden voor het voorkomen, beperken en bestrijden van incidenten bij de buisleiding (bestrijdbaarheid);
  • de mogelijkheden voor zelfredzaamheid.

Van een beperkte verantwoording is alleen sprake als:

  • Het plangebied buiten de 100% letaliteitscontour ligt of
  • Het groepsrisico kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of
  • Het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt bij een groepsrisico dat kleiner is dan de oriëntatiewaarde.

Bij de uitgebreide verantwoording moet ook onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de risico’s te beperken.

Advies van de Veiligheidsregio

Een belangrijk onderdeel van de verantwoordingsplicht is de adviestaak van de Veiligheidsregio. De rijksoverheid heeft (wettelijk) vastgesteld dat het bevoegd gezag het bestuur van de Veiligheidsregio in de gelegenheid dient te stellen advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van een risicobron. Dit is zowel het geval bij buisleidingen als voor inrichtingen.

5.7.1 Kwantitatieve risicoberekening

Toetsing

Op het tankstation worden cng en waterstof als motorbrandstoffen verkocht. Om het risico van het tankstation in beeld te brengen is een QRA uitgevoerd (Kuster Olie Risicoinschatting CNG en H2 tankstation Laarberg, Royal HaskoningDHV, 19 september 2017, Bijlage 1).

Conclusie

Cng

De activiteiten met betrekking tot een cng-installatie zijn vastgelegd in het activiteitenbesluit. Op basis van de zwaarste categorie (buffertank > 5.000 liter) wordt een veiligheidsafstand van 20 meter aangehouden voor de buffertank. De afstand voor de afleverzuilen hangt af van de doorzet en bedraagt maximaal 20 meter. De afstanden zijn weergegeven in afbeelding 5-2. De veiligheidsafstanden van de cng-installatie vallen geheel binnen de inrichtingsgrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0008.png" In rood de veiligheidsafstanden cng

Afbeelding 5-2: Veiligheidsafstanden CNG

Waterstof

Het plaatsgebonden risico is berekend op basis van 2 tanktrailers en een theoretisch maximale waterstof doorzet van 43.800 kg/jaar. De berekende plaatsgebonden risicocontouren zijn weergegeven in afbeelding 5-3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0009.png"

Paars: 10-5 per jaar plaatsgebonden risicocontour

Rood: 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour

Geel: 10-7 per jaar plaatsgebonden risicocontour

Groen: 10-8 per jaar plaatsgebonden risicocontour

Afbeelding 5-3: Plaatsgebonden risicocontouren waterstof

In de berekening is uitgegaan van een worst-casescenario, waarin de cilindertrailers worden bijgevuld door mobiele cilindertrailers, waarbij gehele cilinderbundels worden vervangen. Aangezien deze cilinderbundels dezelfde effectafstanden hebben als de cilinderbundels in de aanwezige trailers maar slechts een fractie van de tijd aanwezig zullen zijn wordt ingeschat dat de risico’s van deze verlading zeer beperkt zal zijn in vergelijking met de gepresenteerde risico’s.

Groepsrisico

Het groepsrisico is nihil omdat de effecten niet tot over gebieden reiken waar te modelleren bevolking aanwezig is, zoals bijvoorbeeld de naastgelegen bedrijfskavels. Omdat het langparkeerterrein binnen de eigen inrichting is gelegen hoeft hier geen rekening mee gehouden te worden. Overigens behoren langparkeerplaatsen niet tot kwetsbare, danwel beperkt kwetsbare objecten omdat vrachtwagenchauffeurs voldoende zelfredzaam worden geacht.

Conclusie

Om te voorkomen dat de effecten van cng en waterstof niet reiken tot buiten de inrichtingsgrenzen, zijn de vulpunten van beide brandstoffen op de verbeelding vastgelegd.

De risicocontouren zijn gelegen binnen de inrichting danwel over de weg, alwaar (beperkt) kwetsbare objecten en activiteiten niet zijn toegestaan.

In het kader van de aan te vragen milieuvergunning wordt het plan nog verder uitgewerkt.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.8 Bodemkwaliteit

Kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een

plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie

en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.

Plansituatie

Het plangebied maakt deel uit van het bestaand regionaal bedrijventerrein Laarberg. Het risico op mogelijke toekomstige vervuilingen is niet groter dan op dit moment, aangezien het bedrijventerrein al als zodanig in gebruik is. Binnen de bedrijfsbestemmingen is geen sprake van een funtiewijziging. De bepalingen uit het besluit bodemkwaliteit worden opgevolgd, zo wordt er ter plaatse van het tankstation een vloeistofdichte vloer aangebracht.

Voor de realisatie van de rotonde is wel sprake van een functiewijziging van agrarisch naar verkeer. Echter is een verkeersbestemming geen gevoelige bestemming. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van de rotonde.

Eventueel aanvullende onderzoeken in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden ingediend bij de vergunningaanvraag.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkelingen.

5.9 Water

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid   1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Ja
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

Nee

Nee  
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Nee  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Ja
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Toename afvalwater

Ten gevolge van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename van afvalwater. Het afvalwater zal via het bestaande rioleringsstelsel worden afgevoerd. Dit rioleringsstelsel is aangesloten op het gemaal “Laarberg”. Bij de aanleg van het gemaal “Laarberg” en de dimensionering van de persleiding is rekening gehouden met de genoemde toename van het afvalwater.

Wateroverlast

Het verhard oppervlak neemt als gevolg van dit plan niet toe, omdat in de vigerende bestemmingsplannen reeds voorzien is in verhard oppervlakt op deze locatie.

Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater wordt in eerste instantie binnen de gehele uitbreiding van het bedrijvenpak ingepast. Het hemelwater zal door middel van infiltratievelden in de bodem infiltreren. Deze velden kunnen overstorten op de retentiewateren. Deze retenties kunnen uiteindelijk overstorten op de Leerinkbeek.

Wateren in eigendom van het waterschap

In en in de directe nabijheid van het plangebied zijn meerdere oppervlaktewaterlichamen aanwezig:

  • Leerinkbeek;
  • Retenties bestaand industrieterrein.

Naar verwachting heeft het oppervlaktewater een beperkte invloed op de grondwaterstanden binnen de grenzen van het plangebied. Enerzijds wordt dit veroorzaakt door de mindere waterdoorlatendheid van de topzandlagen en anderzijds door de beperkte verbreiding van oppervlaktewater in het plangebied.

Natte EVZ: Leerinkbeek

De Leerinkbeek is gelegen noordelijk van het plangebied met een stroming in noordwestelijke richting. De Leerinkbeek is onderdeel van een natte ecologische verbindingszone (hierna: natte EVZ). De Leerinkbeek is in het kader van de ruilverkaveling Hupsel-Zwolle in 2007 heringericht.

Retenties 

Bedrijvenpark Laarberg is reeds aangesloten op een retentie.

Conclusie

Het bestemmingsplan is met oog op het aspect oppervlaktewater en grondwater uitvoerbaar.

5.10 Ecologie

Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de nieuwe natuurwet “Wet natuurbescherming” (hierna Wnb) in werking getreden. In deze nieuwe wet is de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet in één wet geïntegreerd waarmee de afzonderlijke wetten komen te vervallen. De belangrijke wijzigingen zijn de verwijdering van de beschermde natuurmonumenten uit de wet, wijzigingen in de lijst van beschermde soorten van de Flora- en faunawet en verschuiving van verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincie. Ten aanzien van de boswet zijn er geen wijzigingen.

Deze paragraaf is opgesteld op basis van de 'oude' wetgeving, namelijk de Flora en faunawet voor soortenbescherming en de Natuurbeschermingswet 1998 voor gebiedsbescherming. De inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming heeft geen inhoudelijke gevolgen voor de hierna beschreven overwegingen en conclusies.

Voor de uitvoering van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden onderzocht welke natuurwaarden aanwezig zijn en of verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zullen worden overtreden. In eerdere onderzoeken zijn de natuurwaarden en soorten voor de Flora- en faunawet voor het plangebied onderzocht.

Het plangebied ligt op dit moment braak en de gronden worden intensief agrarisch gebruikt. Er wordt bewust voor gezorgd dat er zich geen nieuwe flora of fauna vestigd voordat er wordt begonnen met bouwen. Geschikte habitats ontbreken hierdoor, waardoor effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten zijn uitgesloten.

De vigerende bestemmingsplannen voorzien reeds in de bedrijfsbestemmingen en het voornemen is in die zin geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Ter plaatse van de rotonde wijzigt de de bestemming voor een zeer klein gedeelte (maximaal 2 meter) van Agrarisch naar Verkeer - Verblijfsgebied. Deze wijziging heeft geen significate invloed op de aanwezige flora en fauna. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.

De ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt hebben geen negatieve invloed op de beschermde natuurgebieden. De vigerende bestemmingsplannen voorzien reeds in de bedrijfsbestemmingen. Gezien de geringe omvang van de ontwikkeling en de afstand tot zowel de NNN gebieden als Natura2000-gebieden zal de ontwikkeling geen negatieve effecten hebben op deze gebieden. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van beschermde natuurgebieden staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of

beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het

plan. Bij de uitvoering van het plan zal de algemene zorgplicht van de Wnb in acht worden genomen.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader

Ter implementatie van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. In deze wet is vastgelegd dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening ook rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dat kader dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet de voormalige wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De monumentenwet 1988 is hierin gedeeltelijk overgenomen. Het andere deel van de monumentenwet 1988 zal worden opgenomen in de Omgevingswet. Het gaat dan om het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming over de fysieke leefomgeving. Op moment zijn deze wetten opgenomen in de Erfgoedwet onder het overgangsrecht, totdat de Omgevingswet in werking treedt. Op het gebied van bescherming van Rijksmonumenten blijft veel hetzelfde.

De monumentenwet 1988 heeft archeologische rijksmonumenten aangewezen, deze zijn overgenomen in de Erfgoedwet. De erfgoedwet (volgens het overgangsrecht) beschermd deze rijksmonumenten.

Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre

Gemeente Oost Gelre heeft het nationale archeologiebeleid vertaald in het rapport Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre (RAAP, 2008). Daar hoort een archeologische beleidsadvieskaart bij, arbeelding 5-4. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en wat de archeologische verwachtingswaarde is van andere gebieden. Het beleid dient direct door te werken in bestemmingsplannen. Behoud van archeologische (verwachtings)waarden is het uitgangspunt.

Uit de beleidsadvieskaart blijkt dat er binnen het plangebied lage en middelmatige archeologische verwachtingswaarden voorkomen en dat een klein deel van het plangebied gelegen is in een gebied met een archeologische waarde. Voor de bescherming van deze archeologische (verwachtings)waarden zijn in het bestemmingsplan dubbelbestemmingen (Waarde - Archeologisch waardevol gebied en Waarde - Archeologische verwachtingswaarde-2 en -3) voor archeologie opgenomen.

Eventueel aanvullende onderzoeken in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden ingediend bij de vergunningaanvraag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBEDRIJVEN303-VG01_0010.png"

Afbeelding 5-4: Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (RAAP BV, 2008)

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt ten noorden van de Grolse Linie uit 1627 (ook wel de Circumvallatielinie genoemd). Deze linie is een belangrijke cultuurhistorisch waardevolle structuur op het bedrijvenpark Laarberg. De Grolse Linie is een aanvalslinie uit de Tachtigjarige Oorlog. Wat de Grolse Linie om Groenlo uniek maakt, is dat deze voor het grootste deel nog intact in de bodem aanwezig is. Deze ligt in het agrarisch gebied. De linies rondom andere steden zijn vrijwel volledig vergraven ten behoeve van met name snelwegen en nieuwbouwwijken.

Doel is om de Grolse Linie te behouden en waar mogelijk de structuur zichtbaar en beleefbaar te maken. De ontwikkeling van laarberg entree ligt net buiten de Grolse Linie en staat de bescherming ervan niet in de weg.

Conclusie

Met het opnemen van dubbelbestemmingen en een bijhorende regeling ten aanzien van archeologische waarden, vormen de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Standaard en plansystematiek

Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden.

Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke.

6.2 Toelichting op de regels

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen.

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP).

Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) en de kadastrale kaart.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoeringen in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

Het bedrijventerrein is bestemd als 'Bedrijventerrein'. Het betreft hier een bedrijventerrein dat zich met name richt op zwaardere bedrijvigheid tot maximaal milieucategorie 4.2. Binnen deze bestemming is de bedrijvigheid uit de bijgevoegde 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' toegelaten. De toegelaten categorieën zijn aangeduid op de verbeelding. Bedrijven uit de categorieën 1 en 2 zijn niet toegestaan. De categorieën zijn gebaseerd op de omliggende woonbebouwing.

De locatie van het tankstation is aangeduid met een aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - verkooppunt motorbrandstoffen met cng en waterstof'. Om de locaties van de vulpunten vast te leggen, zijn de vulpunten voor cng en waterstof middels een aanduiding weergegeven op de verbeelding. Met het vastleggen van deze locaties worden de externe veiligheidsrisico's beperkt.

Detailhandel ondergeschikt aan het verkooppunt motorbrandstoffen is toegestaan, met een maximaal verkoopvloeroppervlak van 175 m2. Ter plaatse mogen de verkochte producten genuttigd worden, met dien verstande dat er geen sprake is van dienstverlening (zoals het serveren en/of het verstrekken van servies en bestek).


Een parkeerterrein ten behoeve van langparkeren is expliciet aangeduid.

De bouwvlakken mogen voor 75% bebouwd worden.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ter bescherming van de beeldkwaliteit van het gebied.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven te kunnen vestigen in een lagere milieucategorie. Tevens is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven te kunnen vestigen in een hogere milieucategorie, maar met vergelijkbare milieueffecten. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Onzelfstandige kantoorfuncties zijn toegestaan. Het oppervlak voor kantoor mag niet meer dan 30%, maar in ieder geval niet meer dan 1.500 m2, van het brutovloeroppervlakte bedragen.

De bouwhoogte is opgenomen op de verbeelding. In verband met de beeldkwaliteit is in de zone die grenst aan de openbare weg een lagere hoogte toegestaan. Hogere schoorstenen zijn met een afwijking van de bouwregels wel toegestaan.

Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied

De verkeersstructuur wordt voorzien in de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' Verkeersmaatregelen en eventuele herinrichting kan plaatsvinden binnen de verkeersbestemming. Nutsvoorzieningen zijn mogelijk tot een maximum van 25 m2. Ook kleinschalig groen valt onder de verkeersbestemming.

Artikel 5 Waarde - Archeologisch waardevol gebied

Deze bestemming draagt zorg voor de bescherming van archeologische waarden in een gebied met een (hoge) archeologische waarde. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2

Deze bestemming draagt zorg voor de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.

Artikel 7 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3

Deze bestemming draagt zorg voor de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in een gebied met een lage verwachtingswaarde. De betrokken gronden zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart. In de bouwregels, de nadere eisen en in het stelsel van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden is de feitelijke bescherming van de gronden geregeld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 9 Algemene bouwregels

In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden, voor zover er geen voor de bestemming geldende bouwregels van toepassing zijn. Hierin zijn regels opgenomen ten behoeve van overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

In deze regels zijn algemene gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden, voor zover er geen voor de bestemming geldende bouwregels van toepassing zijn. Hierin zijn regels opgenomen ten behoeve van strijdig gebruik.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden voor het hele plan. Dit artikel bevat een viertal algemene aanduidingen:

  • 1. Voor de gronden gelegen binnen de veiligheidscontour van het vulpunt voor cng geldt een verbod voor het bouwen c.q. gebruiken van (beperkt) kwetsbare objecten. Voor deze gronden is de aanduiding 'veiligheidszone - cng' opgenomen.
  • 2. Voor de gronden gelegen binnen de 10-6 per jaar PR-contour van het vulpunt voor waterstof geldt een verbod voor het bouwen c.q. gebruiken van (beperkt) kwetsbare objecten. Voor deze gronden is de aanduiding 'veiligheidszone - waterstof' opgenomen.
  • 3. Ten behoeve van de radar is een vrijwaringszone opgenomen middels de aanduiding 'vrijwaringszone - radar'. Binnen deze zone mag niet hoger gebouwd worden dan 22 meter, ter bescherming van de werking van de zend- en ontvangstinstallaties buiten militair luchtvaartterrein antennepark Eibergen.
  • 4. Als algemene aanduidig is eveneens een aanduiding 'wetgevingzone - grootschalige detailhandel' opgenomen. Met een afwijking van de gebruiksregels mag hier nieuwe grootschalige detailhandel gerealiseerd worden. Er worden onder meer voorwaarden gesteld aan het ruimtebeslag, (verkeers)overlast en ruimtelijke inpassing.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

In deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn. Er is onder andere geregeld dat nutsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd tot een maximum van 75 m3. Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels

Het plan kan gewijzigd worden ten behoeve van: het in geringe mate aanpassen van het plan zoals bestemmingsgrens of bouwgrens, het oprichten van nutsvoorzieningen met een maximale inhoud van 100 m3 en het enigszins gewijzigd situeren en/of begrenzen van bouwvlakken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.

Artikel 15 Slotregel

Deze regel bevat de citeerregel van het plan.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoering van de plannen voor de uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg is de

Gebiedsonderneming Laarberg opgericht. Deze heeft de uitvoering van de ontwikkeling en realisatie van dit regionale project ten doel. Gebiedsonderneming Laarberg kent twee publieke aandeelhouders; de gemeente Oost Gelre en de gemeente Berkelland. Beide aandeelhouders hebben ieder een borgstelling afgegeven. Ter beoordeling van de financiële haalbaarheid stelt de gebiedsonderneming jaarlijks een grondexploitatie op. Uit de laatste grondexploitatie blijkt dat de voorgenomen plannen voor

het bedrijvenpark Laarberg sluiten met een positief resultaat.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan 'Laarberg Entree' doorloopt de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening.

Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van de watertoets voor het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen Oost Gelre' vindt overleg plaats met het Waterschap Rijn en IJssel.

De planvorming omtrent bedrijvenpark Laarberg is tot stand gekomen in een projectgroep, waarin de gemeente Berkelland net als de gemeente Oost Gelre zitting heeft.

Het plan is ter toetsing voorgelegd aan de Omgevingsdienst Achterhoek en de Veiligheidsregion Noord- en Oost Gelderland. Hun beider advies is verwerkt in dit bestemmingsplan en de bijhorende onderzoeken.

Het ontwerpbestemmingsplan is voor overleg verzonden aan de relevante overige overheden. Er zijn geen reacties ingediend.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 20 oktober tot en met 30 november 2017 gedurende zes weken ter visie gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.