direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
Plan: Buitengebied 1998, herziening 62, Kerkdijk 6 Vragender
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI041-OW01

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud van landschappelijke en natuurwaarden;
  • b. het behoud en herstel van de openheid ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid' ;
  • c. opslag van materiaal en diervoeders ter plaatse van de aanduiding 'opslag' ;
  • d. opslagplaats voor vaste mest ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - vaste mest opslag' ;
  • e. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;
  • f. extensieve dagrecreatie;

met de daarbij behorende:

  • g. erfbeplanting;
  • h. erven en terreinen;
  • i. wegen en paden;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Onder het doel 'behoud van landschappelijke en natuurwaarden':

  • is de instandhouding begrepen van de landschappelijke - en natuurwaarden behorend tot de volgende landschapstyperingen:
    • 1. landbouwgronden met cultuurhistorisch bepaalde kleinschalige akkercomplexen, waaronder begrepen de Vragender es en Lievelder es, het natte en oude heide- en broekontginningenlandschap rond het Vragender Veld, Lievelder Veld en het Zwolesche Veld en het kampenlandschap rond Zwolle en rond Harreveld;
    • 2. landbouwgronden met een oorspronkelijke kavelstructuur (strokenverkaveling), ontsloten via kronkelende wegen en gescheiden van andere kavels door middel van wallen of singels met opgaande eiken en hakhout van berk, els en eik en rijbeplanting in los plantverband van zomereik, soms beuk, berk of andere soorten als wilg of populier;
    • 3. landbouwgronden grenzend aan waterafhankelijke natuurgebieden, waarbij het agrarisch gebruik van de gronden niet mag leiden tot veranderingen in de grondwatersituatie, oppervlaktewaterpeilen en waterkwaliteit;
    • 4. (kleinschalige) hoogteverschillen, zoals steilranden (oude essen) en het terras en terrasrand Aalten–Eibergen;
    • 5. de grotere open ruimtes, ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid';
    • 6. kleinschalige besloten ruimtes;
    • 7. rustige omstandigheden en onverharde wegen;
    • 8. beplantingselementen zoals houtwallen, houtsingels, hagen, bosjes, boomgroepen, solitaire monumentale en waardevolle bomen, weg- en erfbeplanting;
  • zijn de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen' alsmede bouwwerken ten behoeve van onderhoud en beheer en het behouden en versterken van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van het Nationaal Landschap Winterswijk mede begrepen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlakken

Binnen elk bouwvlak op de gronden als bedoeld in lid 3.1 mag uitsluitend worden gebouwd:

  • a. een vaste mest opslagplaats ten behoeve van de opslag van vaste mest, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - vaste mest opslag';
  • b. paardenbakken tot een oppervlakte van 800 m2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - buitenbak', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid' paardenbakken niet zijn toegestaan;

3.2.2 Toegestane bouwwerken buiten bouwvlakken

Buiten bouwvlakken mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bestaande schuilgelegenheden, met dien verstande dat de schuilgelegenheden op een legale wijze tot stand zijn gekomen;
  • b. bestaande bebouwing, met dien verstande dat de bestaande bebouwing op een legale wijze tot stand is gekomen;
  • c. informatiepanelen en schuilgelegenheden voor fietsers en wandelaars.

3.2.3 Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in 3.2.2, gelden de volgende regels:

  • a. de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan in de onderstaande tabel is aangegeven:
    Bouwwerken   Maximale goothoogte in m   Maximale bouwhoogte in m   Maximale oppervlakte in m²   Maximale inhoud in
    m³  
    Erf- en terreinafscheidingen     2      
    Opslag en opslagvoorzieningen     3      
    Vaste mest opslagplaats     1      
    Informatiepanelen en schuilgelegenheden
    voor fietsers en wandelaars  
      2,5   30    
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen bouwvlak     2      
    Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten bouwvlak     2      
  • b. indien de bestaande bebouwing afwijkt van het bepaalde onder a dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht;

3.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.2 ten behoeve van het overschrijden van het bouwvlak voor de vaste mest opslag, met dien verstande dat:
    • 1. de overschrijding niet meer mag bedragen dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak;
    • 2. de overschrijding dient aantoonbaar noodzakelijk te zijn in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;
    • 3. natuur- en landschapswaarden door de overschrijding niet onevenredig worden aangetast;
    • 4. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • de milieusituatie;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • het landschaps- en bebouwingsbeeld;

sublid 3.2.2 ten behoeve van het realiseren van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals kuilvoeropslag buiten het bouwvlak, met dien verstande dat:

    • 1. de realisering van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde aantoonbaar noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;
    • 2. de bebouwing een compact geheel dient te vormen met de bestaande bebouwing;
    • 3. natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast;
    • 4. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • het landschaps- en bebouwingsbeeld;

sublid 3.2.1 ten behoeve van het realiseren van een paardenbak ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid', met dien verstande dat:

    • 1. natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast;
      • de belangen van omliggende functies niet onevenredig worden aangetast;

3.4 Afwijken van de gebruiksregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.1 ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen, met dien verstande dat:
    • 1. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'ehs - natuur', 'ehs - verbindingszone', 'ehs - verweving', 'natte - natuur' en 'overig - openheid';
    • 2. het aantal kampeermiddelen niet meer mag bedragen dan 25;
    • 3. kleinschalig kamperen enkel is toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
    • 4. er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van een landschappelijk inpassingsplan;
    • 5. de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot het hoofdgebouw niet meer is dan 100 m;
    • 6. de afstand tot de bestemmingsgrens van de nabijgelegen woningen niet minder dan 50 m bedraagt;
    • 7. stacaravans, trekkershutten en chalets niet zijn toegestaan;
    • 8. kleinschalig kamperen geen belemming oplevert voor de omliggende functies;
    • 9. indien het niet wenselijk is om sanitaire voorzieningen te realiseren in bestaande gebouwen kan een omgevingsvergunning worden verleend voor de nieuwbouw van sanitaire voorzieningen, mits:
      • de gezamenlijke oppervlakte van deze voorzieningen niet meer bedraagt dan 50 m2;
      • de bouwhoogte van de gebouwen niet meer bedraagt dan 3,5 m.
    • 10. verevening noodzakelijk is in de vorm van sloop, behoud van karakteristieke gebouwen of natuurontwikkeling;
    • 11. er sprake dient te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van een erfinrichtingsplan;
    • 12. de nevenfuncties uitsluitend zijn toegestaan binnen gebouwen zoals bedoeld in sub 1.
3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 3.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
    • 2. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage;
    • 3. het graven, dempen, danwel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand;
    • 4. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarische) houtteelt, indien de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid';
    • 5. het aanleggen van landschapselementen, indien de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid';
    • 6. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen, indien de gronden zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid';
    • 7. het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overig - openheid';
    • 8. het aanleggen, verbreden, halfverharden (door middel van granulaat) en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²;
    • 9. het verwijderen van onverharde wegen of paden;
    • 10. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur.

  • b. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing:
    • 1. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;
    • 2. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend;
    • 3. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen.

  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.