direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied herziening Oude Papendijk 4 Groenlo
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Gegevens van het plan

Bestemmingsplan Buitengebied herziening Oude Papendijk 4 Groenlo  
 
Inlichtingen:  
Afdeling Omgeving  
Esther Hoopman  
tel.nr. 0544 - 39 35 29  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Bij de gemeente Oost Gelre is een verzoek ingekomen voor vervorming van het agrarisch bouwvlak. Het gaat om een agrarisch bedrijf met zeugen, bijbehorende gespeende biggen en opfokzeugen aan de Oude Papendijk 4 te Groenlo. Naast de zeugen is er ook nog een tak paardenhouderij aanwezig op het bedrijf. De initiatiefnemer is van plan om zijn biggenhuisvesting te vergroten. De productie van het aantal gespeende biggen per zeug is gestegen. Tevens wil de ondernemer de gespeende biggen meer ruimte per dier geven in het kader van dierenwelzijn. Hierdoor is de bestaande biggenhuisvesting niet meer toereikend en is de wens ontstaan om ten oosten van het bedrijf aan de oostzijde van de bestaande stal een nieuwe biggenstal te realiseren. Met de bouw van de nieuwe stal kan er tevens voor gezorgd worden dat het bedrijf weer voldoet aan de hedendaagse milieueisen.

Om de bouw van de stal mogelijk te maken moet het bouwvlak van vorm veranderen. Met een herziening van het bestemmingsplan kan de vormverandering van het agrarisch bouwvlak worden geregeld. De paardenpak wordt daarnaast voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - buitenbak'.

2.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van Oost Gelre. Het ligt ten zuiden van de stad Groenlo en op circa 2,6 kilometer ten noorden van het dorp Lievelde. De directe omgeving bestaat uit verspreide (agrarische) bebouwing te midden van agrarisch grasland met een enkele burgerwoning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0001.png"

Ligging plangebied.

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

In het plangebied is een agrarisch bedrijf aanwezig met twee bedrijfswoningen, een machineberging en opslag voor kuilvoer (ronde balen) en vaste mest aanwezig. Volgens de omgevingsvergunning die in 22 juli 2010 is verleend, kunnen de volgende dieren worden gehouden:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0002.png"

De locatie waar de nieuwe stal gewenst is, is op dit moment in gebruik als grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied

Op de bedrijfslocatie is het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met bijbehorend 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' van kracht. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met een bouwvlak van circa 1,75 hectare. Het plangebied heeft daarnaast de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en 'Waarde - Archeologische verwachtingwaarde 2' en de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Met de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' is geregeld dat hier twee bedrijfswoningen toegestaan zijn.

Hoofdstuk 4 Nieuwe situatie

De initiatiefnemer wil op het bedrijf de biggenhuisvesting uitbreiden. De nieuwe biggenstal zal geplaatst worden aan de oostzijde. De stal wordt emissiearm uitgevoerd door een combi luchtwasser. De naastgelegen stal zal ook op deze luchtwasser worden aangesloten. De capaciteit van de luchtwasser zal op het aantal biggen uit deze twee stallen afgestemd worden.

De locatie van de biggenstal is zo gekozen omdat dit het beste aansluit bij de bestaande looplijnen van het bedrijf. Op deze wijze blijft de diergroep gespeende biggen dicht bij elkaar. Elders op het erf is deze mogelijkheid niet aanwezig. Door de gekozen opzet lukt het ook om de bestaande biggenstal aan te sluiten op het centraal afzuigkanaal van de nieuwe stal. Hierdoor kan de bestaande biggenstal ook gekoppeld worden aan de nieuwe luchtwasser van de nieuwe stal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0004.png"

Uitsnede milieutekening

De oppervlakte van de uitbreiding van de stal (met afleverruimte) bedraagt circa 1.107 m2. De hoeveelheid verhard oppervlak welke erbij komt bedraagt 1.035 m2. De afleverruimte van circa 72 m2 komt boven de bestaande kelders, waardoor dit niet zorgt voor toename van het verhard oppervlak. Er is nagenoeg geen extra erfverharding nodig, omdat de nieuwe stal aansluit op de bestaande stallen. Op de plek waar de nieuwe stal komt ligt nu erfverharding. Deze verharding zal worden verplaatst naar naast de nieuwe stal. Alleen aan de noordzijde van de stal zal circa 150 m2 extra erfverharding komen.

De stal wordt onderkelderd ten behoeve van de mestopslag. In de nok van de stal wordt een centraal afzuigkanaal gemaakt, waar ook een aantal dakkokers van de bestaande stal op aangesloten kunnen worden. Aan de oostzijde van de stal wordt de luchtwasser geplaatst. Deze zal inpandig worden opgebouwd.

De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de volgende situatie in dierenaantallen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0005.png"

Voor de gewenste nieuwe situatie moet het bouwvlak worden vervormd. Hieronder is het bestaande en het gewenste bouwvlak opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0006.png"

Het bedrijf wordt ingepast in de omgeving. Door de bouw van de nieuwe stal zal de aanplant aan de oostzijde verwijderd moeten worden. Langs deze stal zal nieuwe aanplant komen in de vorm van een rij rode beuken. Deze rij zal aansluiten op de bestaande rij beuken. Daarnaast wordt een groenstructuur in de vorm van een struweel singel aangeplant op de plaats waar deze oorspronkelijk (min of meer) gelegen heeft. Deze singel krijgt onderbrekingen in verband met zichtlijnen vanuit de bebouwde kom. Aan het eind van deze struweelsingel wordt een bosje ingeplant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0007.png"

Inpassingsplan

Hoofdstuk 5 Beleidskader

5.1 Inleiding

Op internationaal, nationaal en provinciaal niveau zijn een aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied. De belangrijkste worden in de volgende paragrafen beschreven.

5.2 Nationaal beleid

5.2.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen daarvan en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd. Voor dit bestemmingsplan is het belang 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van toepassing. Dit bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure voor bestemmingsplannen in de gemeente. Daarbij wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen.

De overige nationale belangen zijn voor dit bestemmingsplan niet van toepassing omdat het om belangen op een hoger schaalniveau dan het lokale schaalniveau gaat.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening is de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking vastgelegd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

De eerste trede van de ladder houdt in dat wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De eerste vraag is dus of hier sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gaat hier om de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf en niet om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf valt - ook volgens jurisprudentie- niet onder de noemer van een stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding is in oppervlakte namelijk beperkt.

Daarnaast sluit de nieuwbouw aan op bestaande bebouwing. Uitbreiden op een andere locatie is niet reëel. Ook hier zal dan een nieuwe stal gebouwd moeten worden die voldoet aan de laatste eisen op het gebied van milieu en dierenwelzijn.

5.3 Provinciaal beleid

5.3.1 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 heeft Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

1. een duurzame economische structuur;

Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Er zijn veel kansen om de economische structuur te verbeteren. De provincie wil samen met haar partners de kansen benutten, mèt oog voor de unieke kwaliteiten van Gelderland. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Concreet betekent dit dat bestaande en nieuwe bedrijven kansen moeten krijgen.


2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.

Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten wordt hier nader op ingegaan.

5.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten hebben 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.

Artikel 2.5.4.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak uit de omgevingsverordening geeft voorschriften omtrent de uitbreidingsmogelijkheden van een niet grondgebonden veehouderij.

Het bedrijf van de initiatiefnemer is een gemengd agrarisch bedrijf met varkens en paarden. Het totale bouwvlak bedraagt circa 1,75 ha. Voor de voorgenomen uitbreiding met een biggenstal, zal de vorm van het bouwvlak gewijzigd worden. Na de vormverandering is de oppervlakte van het bouwvlak nog steeds circa 1,75 ha.

In de actualisatie van de omgevingsverordening die op 1 maart 2017 is opgenomen is het Plussenbeleid opgenomen. Dit beleid geeft kwaliteitsvoorwaarden voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderijtak mogelijk willen maken. Het gaat in dit geval echter niet om uitbreiding zoals bedoeld in het Plussenbeleid. Er komen weliswaar dieren bij, maar het bouwvlak wordt niet uitgebreid. Daarmee valt de ontwikkeling volgens het Plussenbeleid onder "bestaand recht".

Conclusie: het bedrijf breidt de intensieve tak uit qua dieraantallen, maar heeft geen groter bouwvlak nodig. De vigerende oppervlakte van het bouwvlak blijft ongewijzigd. Daarmee is het project in overeenstemming met de omgevingsverordening.

5.4 Gemeentelijk beleid

5.4.1 Geldende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Dit plan is voor een deel herzien in het Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Deze laatste herziening heeft in dit geval betrekking op de planregels. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met daarbinnen een bouwvlak van circa 1,75 hectare. De aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' regelt dat er twee bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen het bouwvlak.

Op het perceel ligt tenslotte de dubbelbestemmingen 'Waarde - archeologische verwachtingswaarde 1' 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Ter plaatse van de aanuiding 'Waarde - Archeologische verwactingswaarde 1' is het bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2 verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren. Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' is het bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren. De stal wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en blijft onder de maat waarbij onderzoek vereist is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0008.png"

Geldende bouwvlak

Uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan is in de wijzigingsbevoegdheden de mogelijkheid opgenomen voor het uitbreiden van agrarische bedrijven.

In artikel 4.7.3 zijn de voorwaarden voor het vervormen van het bouwvlak opgenomen. De voorwaarden luiden als volgt:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vervormen van het bouwvlak, met dien verstande dat:

  • de vervorming niet mag leiden tot een vergroting van het bouwvlak;
  • aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;
  • alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven;
  • het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd;
  • er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreeerd ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone';
  • is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het een Natura 2000-gebied;
  • omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;
  • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit;
  • uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt.

Het plan voldoet niet aan de vierde en zesde voorwaarde. De nieuwe stal wordt namelijk wel voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning gebouwd. Het bedrijf is echter historisch zo gegroeid, dat bijna alle bedrijfsgebouwen voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning liggen. Daarnaast neemt de amoniakdepositie op een Natura 2000-gebied iets toe, maar hiervoor is al een natuurbeschermingswet vergunning verleend. De wijzigingsbevoegdheid kan dan ook niet worden toegepast. De overige toetsingsvoorwaarden zijn wel relevant, ook voor een herziening van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt hier dan ook aan getoetst in Hoofdstuk 7 Plantoetsing.

5.4.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapstensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'Groenlo-Slingerand'.

Groenlo ligt in een laagte (het dal van de Slinge) in de plateaurand. Dit bood strategische kansen voor verdediging, maar ook voor handel in de routes om het natte midden van de Achterhoek heen. Landschappelijk vormt het de overgang tussen het plateau en het nat, waarbij met name de noord- en oostzijde de karakteristieken van het plateau hebben. Vandaar dat daar wordt aangesloten bij de scholten, de grotere boerderijen op het plateau, met de traditionele elite als belangrijke factor in zowel het sociaal-economisch leven, als in het landschap.

Lanen bossen, grotere boerderijen en natuurlijk de hoogteverschillen van het plateau kenmerken het landschap. Beplantingsvormen zijn in de eerste plaats laanstructuren, bij voorkeur stevig van formaat. In het dal van de Slinge zijn ook elzen-eikensingels gewenst om routes vanuit de bebouwde kom voor plant, dier en mensen te begelijkden. Hierop kan aan de zuid- en vooral de zuidwestkant wat gevarieerd worden tot een "brinkrandschap". De lanen zijn hier minder fors en kunnen ook uit wat andere boomsoorten bestaan. Meidoornhagen bepalen hier idealiter mede het beeld. De fraaie lindenlaan over de Lievelder es toont aan dat ook hier allure en durf tot goede resultaten kunnen leiden. In het traditionele landschap past hier ook de glad gemaaide wegberm bij huizen, boerenbongerdjes met hoogstambomen, paden met meidoornhagen en op natte plaatsen hakhout van eik, els en es en zelfs knotwilgen.

Te beschermen en stimuleren landschapselementen zijn:

- scholtelanen en slingeslingers in noord en oost

- linde- of eikenlanen in zuid en west

- esrandbeplantingen

Voor onderhavig plan is een lanschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het beplantingsplan is opgenomen als Bijlage 3 bij dit bestemmingsplan. In het beplantingsplan zijn de maatregelen voor de landschappelijke inpassing van het bedrijf opgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de historie van het landschap in het gebied.

Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten

6.1 Watertoets

Op grond van artikel 3.6.1 Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. In voorliggende paragraaf isgetoetst of de ontwikkeling dit dit bestemmingsplan mogelijk maakt in overeenstemming is met het waterbeleid. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een vijftal hoofdthema's:

- Veilig water: bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid;

- Voldoende water: zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen;

- Schoon water: zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier;

- Afvalwater: verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit;

- Vaarwegbeheer: zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Nee

Ja

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

 

In de bestaande stiuatie waarin het terrein onverhard is, wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. In de toekomstige situatie wordt een deel van het projectgebied verhard. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd. Om ervoor te zorgen dat de versnelde afvoer in de toekomst niet tot overlast leidt, hanteert het Waterschap Rijn en IJssel het uitgangspunt dat bij een toename van verhard oppervlak geborgd moet worden dat het water daarvan alsnog vertraagd wordt afgevoerd. Voor elke m2 toename van het verhard oppervlak dient in dat kader een extra berging van 40 millimeter aangehouden te worden in onverhard oppervlak.

De voorgenomen ontwikkeling leidt er niet toe dat de bestaande watergangen worden gedempt. Het verhard oppervlak neemt door de uitbreiding van de stal wel toe met circa 1.185 m2. Ter compensatie moet in beginsel 47,5 m3 aan berging worden gerealiseerd. Naast de nieuwe stal zal een afgedamde sloot worden gemaakt met een netto capaciteit van 47,5 m3 waarin water kan worden opgevangen. Het is dus mogelijk om het regenwater op het eigen perceel te infiltreren. Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is een belangrijk uitgangspunt om regenwater en rioolwater gescheiden af te voeren.

In de bestaande situatie is het regenwater al afgekoppeld van het riool. Het regenwater wordt op twee plaatsen, aan de west en oostzijde van het bedrijf, afgevoerd naar de sloten. Voor het nieuwe deel zal het regenwater via de nieuw te maken bezinksloot worden afgevoerd. Hiermee is er voldoende capaciteit om 47,5 m3 te kunnen bergen.

Om een goede kwaliteit van water te realiseren, wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terechtkomen. De bouwwijze en onderhoudstechtniek zijn emissievrij. Tevens wordt gebouwd met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.

6.2 Bodem

Beoordelingskader

Bij een bestemmingsplanprocedure wordt op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgesteld of de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Aan de hand van beschikbare bodeminformatie wordt onderbouwd wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

Wanneer de ontwikkeling betrekking heeft op een woon- of verblijfsruimte moet op grond van de Bouwverordening/Woningwet een bodemonderzoek worden verricht om uit te sluiten dat sprake is van gezondheidsrisico's voor de gebruikers van het bouwwerk.

Voor de onderbouwing van de (verwachte) plaatselijke bodemkwaliteit wordt gebruik gemaakt van de volgende informatiebronnen:

  • Bodeminformatiesysteem (beschikbare bodemonderzoeken);
  • Milieudossiers / Inrichtingenbestand;
  • Tanklijsten (Aktie Tankslag – informatie over ondergrondse tanks);
  • Sloopmeldingen en Asbestinventarisaties;
  • Provinciale Bodematlas / Bodemloket (asbestverdenking, historisch bodembestand (HBB), bodemdossiers in beheer bij het bevoegd gezag provincie Gelderland);
  • Luchtfoto's (vanaf 2008 tot heden);
  • Historische kaarten (www.topotijdreis.nl).

Vervolgens wordt op grond van de verzamelde informatie een afweging gemaakt of er voldoende inzicht is in de bodemkwaliteit of dat er nog (aanvullend) bodemonderzoek verricht moet worden. Afwegingen die hierin een rol spelen zijn:

  • De actualiteit en betrouwbaarheid van de verzamelde bodeminformatie;
  • De verwachte bodemkwaliteit (wel of niet verontreinigd);
  • De beschikbaarheid van uitgevoerde bodemonderzoeken en de toetsing of deze bodemonderzoeken actueel en representatief zijn;
  • Het toekomstig (bodem)gebruik en de risico's op blootstelling aan verontreinigingen.

Wanneer de conclusie is dat (aanvullend) bodemonderzoek nodig is, dan moet dit uitgevoerd worden door een BRL2000 erkend adviesbureau conform de hiervoor beschikbare NEN-normen (NEN5725, NEN5740, NEN5707, NEN5897 of NTA5755).

Overwegingen

Om in beeld te brengen of ter plaatse van Oude Papendijk 4 in Groenlo mogelijk sprake is van bodemverontreiniging is een inventarisatie uitgevoerd. Hierbij zijn de bovenbeschreven lokale en provinciale bodembestanden geraadpleegd. De inventarisatie heeft het volgende aan het licht gebracht:

  • 1. Op het perceel is een varkenshouderij aanwezig. Binnen het bedrijf is sprake van de volgende bodembedreigende activiteiten (opslag van zuur, dieselolie, wasplaats voor voertuigen). Deze bevinden zich buiten het te wijzigen perceel.
  • 2. Op het perceel is, voor zover ons bekend, geen ondergrondse tank aanwezig geweest.
  • 3. Op het perceel is, voor zover ons bekend, niet eerder bodemonderzoek verricht
  • 4. Het perceel is niet opgenomen op de lijst met sloopmeldingen of asbestinventarisaties van de gemeente (12-2016).
  • 5. Op historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl/) zijn geen bijzonderheden of bodemverstoringen zichtbaar.
  • 6. De milieu- en bodeminformatie van aangrenzende percelen geven geen aanleiding om op de locatie bodemverontreiniging te verwachten.

Conclusies / advies

De bodemkwaliteit ter plaatse van de Oude Papendijk is niet eerder met bodemonderzoek vastgesteld. De uitgevoerde inventarisatie geeft geen aanleiding om een noemenswaardige bodemverontreiniging te verwachten. Omdat geen sprake is van een (toekomstige) verblijfsruimte, is het uitvoeren van onderzoek om de actuele bodemkwaliteit vast te leggen niet nodig. De bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor de toekomstige functie als dierenverblijf. Het aspect Bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Aandachtspunten

In algemene zin moeten de volgende aandachtspunten in acht worden genomen:

  • Wanneer tijdens de planrealisatie in de bodem onverwacht zintuiglijke afwijkingen worden geconstateerd, dient het werk direct gestaakt te worden en de gemeente te worden geïnformeerd.
  • Voor de toepassing van vrijkomende grond en bouwstoffen gelden de voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit.
  • Wanneer tijdens planrealisatie grondwater wordt onttrokken (bemaling) en geloosd, behoort vooraf toestemming te worden gegeven door het betreffende bevoegd gezag.
  • Bij de oprichting, verandering of beëindiging van een inrichting kan sprake zijn van een verplichting voor een nul- of eindsituatieonderzoek. De beoordeling hiervan vindt plaats bij het indienen van een melding in het kader van het Activiteitenbesluit of het aanvragen van een Omgevingsvergunning Milieu.
  • Wanneer het uitvoeren van bodemonderzoek nodig is, is het raadzaam om de onderzoeksstrategie vooraf met de Omgevingsdienst Achterhoek af te stemmen en de rapportage nadien door de Omgevingsdienst te laten beoordelen.

6.3 Flora en fauna

6.3 Flora en fauna

De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt gebiedsbescherming van onder andere de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Flora- en faunawet regelt de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De Natura 2000-gebieden die inde omgeving van het plangebied zijn gelegen, zijn:

  • Buurserzand & Haaksbergerveen. Dit gebied bevindt zich op 13,6 kilometer afstand van het plangebied;
  • Korenburgerveen. Dit gebied bevindt zich op 5,5 kilometer afstandvan het plangebied.
  • Stelkampsveld. Dit gebied bevindt zich op 11,6 kilometer afstand van het plangebied.

Door de provincie Gelderland is op 28 september 2016 een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingsweg 1998 verleend. De vergunning is als bijlage opgenomen in Bijlage 1 Natuurbeschermingswetvergunning. Uit de AERIUS Registerbijlage blijkt dat er voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is om de aangevraagde situatie te verlenen. Er is voor onderliggende aanvraag ontwikkelingsruimte vastgelegd in AERIUS Register.

Soortenbescherming

Voor deze ontwikkeling is in febrauri 2017 door Ecochore Natuurtechniek een quickscan natuurtoets uitgevoerd om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen. Middels een quickscan wordt een indruk verkregen van de mogelijke waarden van een gebied voor flora en fauna en kan worden beoordeeld of voldoende verspreidingsgegevens van mogelijk aanwezige beschermde dieren en planten voorhanden is of dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Hieronder wordt de conclusie van de quickscan beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 Quickscan natuuronderzoek.

Op de planlocatie is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Aan de hand van dehierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde dier- en plantsoorten.

Flora

Beschermde soorten ontbreken op de planlocatie, waardoor geen schade aan deze soorten te verwachten is en geen nader onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is.

Vogels

Door de ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten te verwachten op vogelsoorten uit categorie 1-5. Hierdoor is geen nader onderzoek en zijn geen compenserende maatregelen noodzakelijk. Indien de fysieke werkzaamehden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord doordat enkele soorten als broedvogel niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.

Herpetofauna en vissen

Er zijn geen beschermde vissen, amfibieën en repteilen binnen het plangebied te verwachten. Hierdoor is voor deze soortgroepen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

Grondgebonden zoogdieren

Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- of verblijfsplaatsen van soorten uit deze groep aanwezig. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken ene r geen negatieve effecten te verwchten zijn op beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

Vleermuizen

Voor vleermuizen is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

Ongewervelden

Voor de groep ongewervelden zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Gezien het bovenstaande zijn er geen restricties vanuit de Wet Natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten. Hierdoor kan het bestemmingsplantechnisch aanpassen van het bouwvlak worden uitgevoerd zonder verdere maatregelen en zonder nader onderzoek.

6.4 Cultuurhistorie en archeologie

6.4.1 Cultuurhistorie

Sinds 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken hiervan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn.

Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden.

In het plangebied staan geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Bovendien heeft de bouw van de stal met luchtwasser geen/weinig invloed op de cultuurhistorische waarde van het landschap.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling verstoort de cultuurhistorische waarde van het gebied niet. Hiermee vormt cultuurhistorie geen belemmering voor dit bestemmingsplan, noch voor de realisering van het bouwplan.

6.4.2 Archeologie

De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Tevens kan een gemeente eigen archeologisch beleid vaststellen.

Het deel van het perceel waar de stal wordt gebouwd heeft de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 2500 m2 moet er verplicht een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.De te bouwen stal blijft onder de genoemde maat.

Conclusie

Voor de onderhavige locatie geldt geen onderzoeksplicht, aangezien het oppervlak kleiner is. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

 

6.5 Geluid

Beoordelingskader

Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan:

  • 1. de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen;
  • 2. bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd;
  • 3. op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • 4. het geluidbeleid wordt in acht genomen.

Dit is van toepassing voor Oost Gelre.

1: Normen Wet geluidhinder (Wgh)

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen binnen een geluidzone waarbij geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) zijn betrokken is de Wgh van toepassing. De Wgh kent drie geluidbronnen waarvoor geluidzones gelden:

  • railverkeerslawaai;
  • wegverkeerslawaai:
  • industrielawaai.

Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wgh, zal akoestisch moeten worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan.

Omdat er geen sprake is van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw is en Wgh niet van toepassing.

2: Bedrijven in de omgeving

Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Omdat bedrijven ten aanzien van deze objecten geluidsnormen zijn opgelegd, zal het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven toe altijd een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen zal akoestisch moeten worden onderzocht welke geluidsbelasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluidsnormen, dan is in feite voldaan aan dit punt.

Omdat er geen sprake is van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw worden bedrijven in de omgeving niet extra belemmerd en hoeft dit onderwerp niet verder te worden onderzocht.

3: Woon- en leefklimaat

Wanneer geluidgevoelige objecten en geluidproducerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd, dient bepaald en afgewogen te worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hiervoor kunnen de normen worden gevolgd die in verschillende milieuwetten voor geluid zijn vastgelegd. Voor wat betreft rail- en wegverkeerslawaai zijn hiervoor normen opgenomen in de Wgh. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wgh normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit regels en normen.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering" is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen.

4: Geluidbeleid

Op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is het mogelijk dat gemeenten eigen geluidbeleid vaststellen. Dit beleid moet bij besluiten in acht worden genomen. De gemeente Oost Gelre heeft geluidbeleid.

Overwegingen

1: Wet geluidhinder is n.v.t.

2: Belemmering bedrijfsvoering is geen te onderzoeken aspect.

3: Aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 

Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, moet worden betrokken:

  • de aard van het plan;
  • de bestaande aard van de omgeving en/of het referentieniveau van het achtergrondgeluid;
  • de verandering in geluidsbelasting die de nieuwe situatie voortbrengt;
  • de geluidsbelasting op de woning of het geluidsgevoelige object in de nieuwe situatie;
  • cumulatie van verschillende geluidsbronnen;
  • de geluidsnormen die eventueel worden opgelegd aan omliggende bedrijven.

Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gelden voor het te realiseren plan, maar geldt ook voor de omgeving van het plan. In het onderdeel "bedrijven en milieuzonering" wordt hier dieper op ingegaan.

Voor het beoordelen van het onderdeel geluid voor het woon- en leefklimaat het geluidbeleid van de gemeente Oost Gelre gehanteerd.

4: Geluidbeleid

Aangetoond moet worden of de uitbreiding van de stal voor gespeende biggen planologisch binnen het geluidbeleid past.

Het geluidbeleid kent op de op de locatie van de inrichting en in de omgeving verschillende gebiedstypen met verschillende geluidniveaus die hier worden besproken.

Er is geen akoestisch onderzoek beschikbaar. In de Aanvraag Omgevingsvergunning Activiteit Milieu worden de geluidbronnen binnen de inrichting weergegeven. De meeste activiteiten vinden in de dagperiode plaats. In de avondperiode kan de afvoer van dieren plaatvinden en wordt de trekker op het erf gebruikt. De ventilatoren op de stallen gebruiken overdag 100% , 's avonds 75% en 's nachts 50% van de ventilatiecapaciteit.

Er wordt een incidentele bedrijfssituatie aangevraagd voor seizoensgebonden afvoer van spuiwater en drijfmest.

De uitbreiding van de stal voor gespeende biggen ligt aan de oostkant van de inrichting.

Planologisch is bepaald dat medewerking kan worden verleend als aangetoond wordt dat aan normen voor onder andere geluid wordt voldaan.

In de vigerende omgevingsvergunning zijn beoordelingswaarden van 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode bij woningen en op 50 m van de grens van de inrichting opgenomen. Voor de maximale geluidniveaus gelden beoordelingswaarden van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode waarbij in de dagperiode niet wordt getoetst op piekniveaus van laden en lossen . Incidentele bedrijfssituaties zijn niet toegestaan in de vigerende vergunning.

Woning aan westzijde

Op grond van geluidbeleid valt de inrichting en de woning Oude Papendijk 6 aan de westkant van de inrichting in het gebiedstype “Agrarisch Intensief”.
Hiervoor gelden streefwaarden van 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode en grenswaarden die in de dag- en avondperiode 5 dB(A) hoger liggen dan de streefwaarde.
Deze geluidniveaus gelden in beginsel op 50 m van de grens van de inrichting. De woning Papendijk 6 ligt op ongeveer 45 m van de grens van de inrichting.
De uitbreiding waarvoor de bestemmingsplanwijziging wordt aangevraagd ligt op 250 m van de woning Oude Papendijk 6. Deze afstand is dermate ruim dat het woon- en leefklimaat vanwege het geluid niet wordt beïnvloed.
De uitbreiding is op zichzelf voor het aspect geluid geen probleem.

Verwacht wordt dat ook als gevolg van de uitbreiding aan de oostzijde, voldaan kan worden een de streefwaarden voor het gebiedstype “Agrarisch intensief” van het geluidbeleid.

Voor het verlenen van de Omgevingsvergunning Activiteit Milieu is een akoestisch onderzoek noodzakelijk, omdat;

  • de woning Oude Papendijk 6 op 45 m van de aangepaste grens van de inrichting komt te liggen.
  • incidentele bedrijfsactiviteiten worden aangevraagd, die in de huidige vergunning niet worden toegestaan.

Dit staat los van de bestemmingsplanwijziging vanwege de uitbreiding met een biggenstal.

Woningen aan de noordzijde

Aan de noordzijde van het bedrijf liggen woningen aan de Koperslager, Linnenwever, etc. die in het gebiedstype “Wonen” liggen. Hiervoor gelden streefwaarden van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode en grenswaarden die 5 dB(A) hoger liggen dan de streefwaarden. Deze woningen liggen minimaal 210 m van de grens van de inrichting.
De afstand tot de woningen tot het dichtstbijzijnde beoordelingspunt op 50 m van de grens van de inrichting is ongeveer 170 m.

Het is de verwachting dat op 50 m van de grens van de inrichting conform de voorschriften van de huidige vergunning wordt voldaan aan de streefwaarden van gebiedstype Agrarisch intensief.

Bij de woningen Koperslager, Linnenwever, etc. zijn de geluidniveaus minimaal 10 dB(A) lager en daar wordt voldaan een de streefwaarden van gebiedstype Wonen.

Woningen aan de oostzijde

Aan de oostzijde van het bedrijf liggen woningen aan de Oude Papendijk nummer 7-23 die in het gebiedstype “Wonen” liggen.

Hiervoor gelden streefwaarden van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode en grenswaarden die 5 dB(A) hoger liggen dan de streefwaarden.

De dichtstbijzijnde (geprojecteerde) woning (kadastraal perceel B, 6825) ligt op minimaal 210 m van uitbreiding van inrichting, op 180 m van de ingetekende grens van de inrichting.

Deze woning ligt in het gebiedstype “Agrarisch”. Hiervoor gelden streefwaarden van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode en grenswaarden die in de dag- en avondperiode 5 dB(A) hoger liggen dan de streefwaarden.
De afstand tot deze woning tot het dichtstbijzijnde beoordelingspunt op 50 m van de grens van de inrichting is ongeveer 130 m.

Het is de verwachting dat op 50 m van de grens van de inrichting conform de voorschriften van de huidige vergunning wordt voldaan aan de streefwaarden van gebiedstype Agrarisch intensief.

Bij de dichtstbijzijnde woning aan de Oude Papendijk zijn de geluidniveaus minimaal 5 dB(A) lager en daar wordt voldaan een de streefwaarden van gebiedstype Agrarisch.

Bij de woningen aan de Oude Papendijk nummer 7-23 die wordt voldaan aan de streefwaarden van de het gebiedstype Wonen.

Woningen aan de zuidzijde

Aan de zuidzijde van het bedrijf liggen woningen aan de Oude Papendijk nummer 8a, 10, 10a en 12 die in het gebiedstype “Agrarisch” liggen.
Hiervoor gelden streefwaarden van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode en grenswaarden die in de dag- en avondperiode 5 dB(A) hoger liggen dan de streefwaarden.
Deze woningen liggen minimaal 250 m van de grens van de inrichting en 200 m van de beoordelingspunten op 50 m van de grens van de inrichting.
Het is de verwachting dat op 50 m van de grens van de inrichting conform de voorschriften van de huidige vergunning wordt voldaan aan de streefwaarden van gebiedstype Agrarisch intensief.
Bij de woningen Oude Papendijk 8–12 zijn de geluidniveau minimaal 10 dB(A) lager, zodat daar wordt voldaan een de streefwaarden van gebiedstype Agrarisch.

De uitbreiding waarvoor de bestemmingsplanwijziging ligt op voldoende afstand van woningen van derden, waardoor het aspect van het woon- en leefklimaat geen belemmering is voor de uitbreiding. Er wordt voldaan aan de streefwaarden van het geluidbeleid in de verschillende gebiedstypen.

Conclusie / advies

De uitbreiding van de stal voor gespeende biggen ligt op voldoende afstand van woningen.

Het aspect geluid bij deze woningen en het geluidbeleid vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding. Voldaan wordt aan de streefwaarden van het geluidbeleid in de verschillende gebiedstypen.

Voor de uitbreiding is in het kader van het bestemmingsplan geen akoestisch onderzoek nodig.

Voor een Omgevingsvergunning voor de Activiteiten Milieu is wel een akoestisch onderzoek nodig, omdat de grens van de inrichting wordt gewijzigd waardoor de woning Oude Papendijk 6 op 45 m van de grens van de inrichting komt te liggen en omdat incidentele bedrijfssituaties worden aangevraagd die in de vigerende vergunning niet zijn opgenomen. Dit staat echter los van de wijziging van het bestemmingsplan.

6.6 Geur

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het beoordelingsskader voor geurhinder in het kader van de vergunningverlening aan veehouderijen. Bij een beslissing inzake de milieuvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder, door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wgv.

De geuremissie uit de dierenverblijven wordt berekend op basis van vastgestelde geuremissiefactoren per diercategorie die zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderijen. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is de geurbelasting van gevoelige objecten in de omgeving berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning. De wet geeft maximale waarden voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken.

In artikel 3 van de Wgv wordt aangegeven wat de maximale geurbelasting in odour units per kubieke meter lucht mag bedragen op de geurgevoelige objecten in de omgeving. Voor wat betreft de geurbelasting gelden de volgende normen, rekening houdend met het feit dat de projectlocatie binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom ligt:

  • voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van Groenlo geldt een maximale geurbelasting van 5,0 odour units per kubieke meter lucht;
  • voor de geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een maximale geurbelasting van 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
  • in afwijking van het voorgaande geldt in het geval van een geurgevoelig object bij een (voormalige) veehouderij in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter tot het emissiepunt.

Op grond van artikel 4 van de Wgv bedraagt de afstand tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgelegd, buiten de bebouwde kom ten minste 50 meter. Onverminderd artikel 3 en 4 van de Wgv bepaalt artikel 5 Wgv dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten miste 25 meter is.

Op grond van artikel 6 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden van toepassing zijn dan zoals voorgeschreven in de Wgv. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft op 28 januari 2008 in dat verband de "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre (hierna: Wgv-verordening) vastgesteld". Deze Wgv-verordening is van toepassing op de bebouwde kom van Groenlo, Lievelde en Vragender.

Voor de bebouwde kommen is in de Wgv-verordening de maximale geurbelasting vastgesteld op respectievelijk 5,0 odour units voor Groenlo en 7,0 odour units voor Lievelde en Vragender, in plaats van de maximale geurbelasting van 3,0 odour units die op grond van artikel 3 van de Wgv normaliter van toepassing is binnen de bebouwde kom in een concentratie-gebied.

Vanwege de afstand tot Groenlo (circa 220 meter) is de geurbelasting van het bedrijf van de initiafnemer op deze kernen in overeenstemming met de geurnormen uit de Wgv-verordening. Dit volgt uit onderstaande geurberekening met de geurbelasting voor de dichtst-bijzijnde geurgevoelige objecten: zij blijven zelfs allen onder de geur-norm van 5,0 odour units.

De berekeningen die met V-stacks Vergunningen zijn gemaakt voor de geurgevoelige objecten in de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling, worden hieronder weergegeven. Voor de V-stacksberekeningen wordt verwezen naar Bijlage 3 Voor- en achtergrondbelasting geur.

In de onderstaande tabel wordt de gevraagde geurbelasting weergegeven. Hieruit volgt dat de geurbelasting op de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten onder de geldende waarden blijft van 14,0 (buiten bebouwde kom) en de geldende geurnorm van 5,0 (binnen de bebouwde kom) odour units per kubieke meter lucht. Daardoor kan op basis van de Wgv de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu verleend worden.

Rekenresultaten voorgrondbelasting

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0009.png"

In de omgeving van de projectlocatie bevinden zich eveneens een aantal geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een (voormalige) veehouderij. Zoals hiervoor is aangegeven, geldt daarvoor ingevolge de Wgv een minimumafstandseis van 50 meter tot het emissiepunt. Aangezien het dichtstbijzijnde geurgevoelige object op een afstand van circa 70 meter ligt, wordt ruimschoots voldaan aan de afstandseis uit de Wgv van 50 meter voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een (voormalige) veehouderij.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

De Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij legt een relatie tussen geurbelasting en geurhinder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) accepteert dat deze handreiking gebruikt wordt bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat. In een afzonderlijke bijlage voor- en achtergrondbelasting, zie hiervoor Bijlage 3 Voor- en achtergrondbelasting geur, zijn de verschillende berekeningen uitgevoerd om te bepalen of er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Hieruit volgt dat het woon- en leefklimaat voor de omgeving niet wijzigt ten opzichte van de vergunde situatie.

Voor wat betreft het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen blijft sprake van een aanvaardbare situatie. Nu door de bedrijfsuitbreiding de voor- en achtergrondbelasting enkel achter de komma toenemen (op sommige woningen), wijzigt de milieukwaliteit niet ten opzichte van de vergunde situatie. De milieukwaliteit blijft in dezelfde klasse vallen (conform de hierop betrekking hebbende tabellen in de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij). Dat betekent dat het woon- en leefklimaat niet significant verslechtert (of verbetert op andere woningen). Overigens is en blijft het woon- en leefklimaat sowieso beter dan op grond van de geurnormen acceptabel wordt geacht voor woningen binnen en buiten de bebouwde kom.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen op het gebied van geur die aan de voorgenomen uitbreiding in de weg staan. Het fokzeugenbedrijf ligt na uitbreiding op voldoende afstand van woningen en andere geurgevoelige objecten. Deze woningen en andere geurgevoelige objecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.

6.7 Luchtkwaliteit

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is titel 5.2 ('Luchtkwaliteitseisen') van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) van belang. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm.

In beginsel moet dus onderzocht worden wat de invloed is van het project op de luchtkwaliteit. Deze hoofdregel leidt uitzondering als:

  • een project in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen;
  • of als een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht.

Het voorgenomen project is niet opgenomen in de NSL. Eveneens is er in beginsel geen sprake van een project zoals genoemd in de Regeling niet in betekenende mate (Regeling NIBM). Derhalve dient het project te worden getoetst aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wm.

Bij de beoordeling van een voornemen met betrekking tot een veehouderij gaat het om de emissie van fijn stof. Door veehouderijen wordt fijn stof in de vorm van PM10 uitgestoten. De grenswaarden voor fijn stof in de vorm van PM10 zijn als volgt vastgelegd in bijlage 2 van de Wm:

  • jaargemiddelde concentratie: 40 µg per kuub;
  • daggemiddelde concentratie: 50 µg per kuub;
  • aantal toegestane overschrijdingen van daggemiddelde: maximaal 35 keer.

Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM-grens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst op www.vrom.nl kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. Dit kan door de hoeveelheid nieuwe dieren te vermenigvuldigen met de emissie-factor en deze te vergelijken met de waarden uit de tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0010.png"

In het geval van het voornemen leidt de voorgenomen uitbreiding en aanpassingen op het bedrijf tot een afname van de stofemissie met 11.913 gram per jaar (zie onderstaande tabel). Het dichtstbijgelegen gevoelige object (Oude Papendijk 6) ligt op circa 165 meter van het eerste emissiepunt van de 28 diercategorie waar fijn stof normen voor zijn vastgesteld. Door deze afstand en de afname van de fijn stof emssie kan geconcludeerd worden dat de gehele aanvraag NIBM is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0011.png"

Gezien de afstand van circa 65 meter hoek paardenstal tot de woning aan de Oude Papendijk 6, kan eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Immers, de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" houdt voor stof een richtafstand aan van 30 meter in het geval van het fokken en houden van vee.

Conclusie

De uitbreiding van het fokzeugenbedrijf draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is in de omgeving geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. De ontwikkeling is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit toelaatbaar.

6.8 Bedrijven en milieuzonering

Beoordelingskader 

De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen. Die ontwikkelingen hebben bijvoorbeeld betrekking op nieuwe woningen in de omgeving van bedrijven of op nieuwe bedrijvigheid in de omgeving van woningen.

De in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden zijn afhankelijk van de omgevings- en bedrijfskenmerken naar boven of beneden bij te stellen. Het toepassen van de richtafstand moet dus gemotiveerd gebeuren. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde richtafstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden (rustige woonwijk en rustig buitengebied). Overigens gaan wettelijke afstanden voor de richtafstanden uit de VNG-publicatie.

Wanneer uit de beoordeling aan de richtafstanden blijkt dat een ontwikkeling niet mogelijk is, kan onderzoek naar de daadwerkelijke milieubelasting uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Op dat moment is een afweging aan de orde over de belangen van woningbouw en bedrijvigheid. In die afweging speelt ook de langere termijn visie op de gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein of de bedrijfslocatie een rol.

Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen gemotiveerd kleinere afstanden worden aangehouden. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap worden verlaagd. Voor bedrijven waarbij het aspect gevaar maatgevend is voor de richtafstand is reductie van de richtafstanden met één afstandsstap niet zonder meer mogelijk.

Inhoudelijke toets

Het betreft hier de uitbreiding van een fokzeugenbedrijf. Op grond van de bedrijfsactiviteiten geldt volgens de VNG-publicatie een richtafstand van 200 meter.

SBI 2008   Omschrijving   Geur   Stof   Geluid   Gevaar   Categorie  
0146   Fokken en houden van varkens   200   30   50   0   4.1  

Binnen deze richtafstand bevinden zich woningen van derden. Voor deze vergunningplichtige veehouderij geldt de Wet geurhinder en veehouderij als beoordelingskader voor geurhinder. De afstand voor het aspect geur uit bovenstaande tabel is dan niet van toepassing. De wettelijke afstanden hebben voorrang op de richtafstanden. Zie voor verdere toelichting paragraaf 6.6 Geur. Hieruit komt naar voren dat de veehouderij zich op voldoende afstand van omliggende woningen bevindt. Voor wat betreft de resterende richtafstanden geldt dat de veehouderij zich op meer dan 50 meter van omliggende woningen bevindt, zodat de situatie vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering toelaatbaar is.

Conclusie / advies

Binnen de richtafstand van de aangevraagde activiteiten bevinden zich woningen. Het gaat hierbij echter enkel om de richtafstand voor geur. Die richtafstand mag niet worden gebruikt. Hiervoor bestaat namelijk een specifiek wettelijk beoordelingskader dat voorrang heeft op de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Uit toetsing aan dat wettelijk beoordelingskader is gebleken dat sprake is van een toelaatbare situatie. Aan de resterende richtafstand van maximaal 50 meter wordt in dit geval voldaan. De situatie is daarom toelaatbaar vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering.

6.9 Externe veiligheid

Beoordelingskader

Externe veiligheid beschrijft risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0012.png"

Hoe moet worden omgegaan met risico's voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op deze regelgeving.

Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) regelen hoe de veiligheidsafstanden en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico rond inrichtingen wordt vastgesteld.

Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen 

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening staan net als bij het Bevi in een regeling (Revb).

Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes

Vanaf 1 juni 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi.

Besluit risico's zware ongevallen

Het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de vertaling in Nederlandse wetgeving van de Europese Seveso III-richtlijn. Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Een Brzo-bedrijf is ook automatisch een Bevi-bedrijf.

Vuurwerkbesluit

Het Vuurwerkbesluit is van rechtswege van toepassing op inrichtingen voor het opslaan of bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. Vanuit het Vuurwerkbesluit gelden externe veiligheidsafstanden.

Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

In deze circulaire zijn regels opgenomen voor onder andere de opslag van zwart buskruit, en ontplofbare stoffen die worden gebruikt bij slopen, seismische onderzoek. Rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen geldt een veiligheidsafstand.

Besluit ruimte

Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Besluit ruimte). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie veiligheidszones rondom die complexen, waarbinnen voor activiteiten of objecten bepaalde beperkingen gelden.

Activiteitenbesluit

Het Activiteitenbesluit schrijft voor bepaalde typen opslagen en installaties externe veiligheidsafstanden voor. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gasdrukmeet- en –regelinstallaties, propaantanks (met een inhoud van maximaal 13 m3) en vuurwerk (tot 10.000 kilogram consumentenvuurwerk).

Beleidsvisie

In 2008 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Het ambitieniveau is afgestemd op het profiel van de gemeente Oost Gelre. Naast ruimte voor functies als landbouw, toerisme en wonen, bestaat binnen de gemeente ook ruimte voor industriële bedrijvigheid. In de beleidsvisie is daarom gekozen voor een gebiedsgerichte benadering. Zo staat voor woonwijken veiligheid hoog in het vaandel, terwijl op bedrijventerreinen ruimte blijft voor bedrijfsontwikkeling. Ook daar gelden echter de wettelijke veiligheidsnormen.

De toegestane hoogte van het groepsrisico en de bouwmogelijkheden binnen risicocontouren (plaatsgebonden risico) verschillen in de beleidsvisie per onderscheiden gebied. Naast woonwijken en bedrijventerreinen gaat het bij deze gebiedsindeling om gemengde gebieden (met woon- en werkfuncties) en het landelijk gebied.

Inhoudelijke beoordeling 

Met behulp van de signalieringskaart externe veiligheid is bekeken welke risico's in de omgeving van de inrichting aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0013.png" Uitsnede signaleringskaart externe veiligheid

Zoals in figuur 1 is te zien, ligt het perceel van de Oude Papendijk 4 niet binnen een risicozone. De aardgasleiding met kenmerk N560-3 een diameter van 219 mm en een maximale werkdruk van 40 bar bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied. Deze vormt echter geen belemmering voor het planinitiatief.

Conclusie / advies

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit planinitiatief.

6.10 Milieueffectrapportage

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij "grotere" oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen.

Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een projectafwijkingsbesluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen.

In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is. Daaruit volgt dat er een m.e.r-(beoordelings)plicht geldt voor een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren als deze boven een bepaalde drempelwaarde uitkomt. Deze drempelwaarden zijn voor de onderdelen C en D in onderstaande tabellen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1517-VG01_0014.png"

Het voorgenomen project blijft onder de drempelwaarden van onderdeel C en D. Er bestaat op grond daarvan voor dit project dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Tevens is op basis van de bevindingen van de hiervoor behandelde milieu-aspecten voor dit project geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van aanzienlijke milieueffecten en dat er alsnog een MER dient te worden opgesteld. Uit deze ruimtelijke onderbouwing volgt immers op het gebied van:

  • de kenmerken van de voorgenomen activiteit;
  • de plaats van de voorgenomen activiteit;
  • de kenmerken van de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteit;

dat de voorgenomen uitbreiding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft.

Conclusie: aangezien dit project niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Hoofdstuk 7 Plantoetsing

De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna getoetst aan de relevante ruimtelijke randvoorwaarden en milieueisen.

Nut en noodzaak van de uitbreiding

Maatschap Huirne Hanselman heeft een agrarisch bedrijf met zeugen, bijbehorende gespeende biggen en opfokzeugen aan de Oude Papendijk 4 te Groenlo. Naast de zeugen is er ook nog een tak paardenhouderij aanwezig op het bedrijf.

De maatschap is van plan om zijn biggenhuisvesting te vergroten. Door goed ondernemerschap is de productie van het aantal gespeende biggen per zeug gestegen. Tevens wil de ondernemer de gespeende biggen meer ruimte per dier geven in het kader van het dierenwelzijn. Hierdoor is de bestaande biggenhuisvesting niet meer toereikend en is de wens ontstaan om meer biggenhuisvesting te maken.

Daartoe is men voornemens om ten oosten van het bedrijf aan de oostzijde van de bestaande stal een nieuwe biggenstal te realiseren.

De locatie van de biggenstal is zo gekozen omdat,

  • Dit het beste aansluit bij de bestaande looplijnen van het bedrijf. Op deze wijze blijf de diergroep gespeende biggen dicht bij elkaar. Elders op het erf is deze mogelijkheid niet aanwezig.
  • Door de gekozen opzet lukt het ook om de bestaande biggenstal aan te sluiten op het centraal afzuigkanaal van de nieuwe stal. Hierdoor kan de bestaande biggenstal ook gekoppeld worden aan de nieuwe luchtwasser van de nieuwe stal.

Voor de voorgenomen situatie is reeds een Natuurbeschermingswet vergunning verleend. Deze is als bijlage toegevoegd.

Landschappelijke inpassing

Het bedrijf heeft een landschappelijk inpassingsplan ingediend. In het plan zijn de maatregelen voor de landschappelijke inpassing van het bedrijf opgenomen. Het complete plan is opgenomen in Bijlage 2 Landschappelijke inpassing.

Met een zogenaamde voorwaardelijke verplichting in de planregels is de aanleg en instandhouding van de inpassingsmaatregelen uit het inpassingsplan gegarandeerd.

Flora en fauna

In paragraaf 6.3 Flora en fauna is nader ingegaan op de gevolgen van dit plan voor de flora en fauna. Geconcludeerd is dat het plan geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna zal hebben. In het plangebied komen namelijk geen verblijf -of voortplantingsplaatsen van beschermde soorten voor. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 Quickscan natuuronderzoek.

Natuurbeschermingswet

Voor de voorgenomen situatie is reeds een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. De verleende Natuurbeschermingswetvergunning is opgenomen in Bijlage 1 Natuurbeschermingswetvergunning.

In de gebruiksregels is bepaald dat het houden van dieren van in strijd met de verleende Natuurbeschermingswetvergunning niet is toegestaan. De Natuurbeschermingswetvergunning is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.

Belangen van de omgeving

Voor het mogelijk maken van de nieuwe stal en de kuilvoerplaten zijn meerdere milieuonderzoeken uitgevoerd met het doel na te gaan of het bedrijf in de nieuwe situatie voldoet aan de geldende milieuwet- en regelgeving. Deze regelgeving heeft onder andere als doel aanwonenden te beschermen tegen overlast.


Uit alle uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het bedrijf voldoet aan de normen op het gebied van geur, geluid, luchtkwaliteit (fijn stof), bodemkwaliteit, waterhuishouding, externe veiligheid en stikstofuitstoot. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten is hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

De opdrachtgever fungeert als de financiële drager van het onderhavige project. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het project en draagt geen financiële risico's voor de realisatie.

Het bestemmingsplan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan als het verhaal van kosten voor rekening van verzoeker komt. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waardoor geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Inspraak

Het ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingekomen.

8.2.2 Artikel 3.1.1. Bro-overleg

Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd worden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en de relevante diensten van provincie en Rijk. In het kader van vooroverleg is het bestemmingsplan toegezonden aan Waterschap Rijn en IJssel en aan de provincie. Beide instanties hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan.