direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied herziening gronden Visserijdijk Lichtenvoorde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied herziening gronden Visserijdijk Lichtenvoorde  
Vastgesteld  
 
Inlichtingen: Nardo Rondeel  
Afdeling Omgeving  
Telefoonnummer: 0544 - 393 482  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Op 8 oktober 2013 is het bestemmingsplan 'Uitbreiding Lesli Vuurwerk Visserijdijk' door de gemeenteraad van Oost Gelre vastgesteld. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk. Bij dit bestemmingsplan zijn de agrarische gronden tegenover het al bestaande bedrijf van Lesli Vuurwerk aan de Visserijdijk (adres luidt Heringsaweg 12-14) als 'Bedrijf' bestemd en voorzien van een bouwvlak. Hierdoor was het voor Lesli BV mogelijk om de opslag van vuurwerk uit te breiden. Daarnaast is het mogelijk om de gronden voor 'niet-gebiedsgebonden bedrijven' te gebruiken.

Lesli BV heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van deze gronden ten behoeve van de opslag van vuurwerk. Om te voorkomen dat de gronden nu worden gebruikt voor niet-gebiedsgebonden bedrijven is door de gemeenteraad besloten om de bestemming te herzien en de oorspronkelijke bestemmingen weer op deze percelen te verbeelden. De gemeenteraad heeft hiervoor een voorbereidingsbesluit vastgesteld. Door middel van deze herziening van het bestemmingsplan wordt aan dit verzoek voldaan.

2.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Visserijdijk (adres luidt Heringsaweg 12-14) te Vragender. De percelen liggen ten oosten van de bebouwde kom van Lichtenvoorde en staan kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie S, nummers 167 (ged.),170 (ged.), 171 (ged.), 231 (ged.) en 232 (ged.). In de directe nabijheid van het perceel is binnen de bebouwde kom van Lichtenvoorde het bedrijventerrein De Kamp gelegen. In de directe nabijheid van dit bedrijf zijn in hoofdzaak woningen gelegen en een enkel agrarisch bedrijf.

De percelen worden ontsloten via de Parallelweg (Heringsaweg) gelegen langs de Hamelandweg.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0001.png"

Omgeving Heringsaweg 12-14 Vragender

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0002.png"

Heringsaweg 12-14 Vragender

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

3.1 Bestaande situatie

De bedrijfsgebouwen blijven gesitueerd aan de zuidzijde van de Visserijdijk. Voor de beoogde planontwikkeling tot bouwkundige uitbreidingen ten noorden van de Visserijdijk is een nieuw bestemmingsplan vastgesteld.

Op 8 oktober 2013 is door de gemeenteraad van Oost Gelre voor het plangebied een bestemmingsplan vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf', voorzien van een bouwvlak met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifieke vorm van bedrijf - vuurwerkopslag'. Daarnaast geldt nog een bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - fase 1' en 'specifieke bouwaanduiding - fase 2'. Voor het gehele perceel geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'.

Uit de Regels van voornoemd bestemmingsplan is op te maken dat voornoemd fase 2 pas kan worden gerealiseerd na afronding van fase 1. Dit geldt tevens voor de landschappelijke inpassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0003.png"

Bestemming 'Bedrijf' (paars), met in oranje aangegeven plangebied 'fase 1'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0004.png"

Bestemming 'Bedrijf' (paars), met in oranje aangegeven plangebied 'fase 2'.

3.2 Gewenste situatie

In de Regels van het geldende bestemmingsplan is binnen de bestemming 'Bedrijf' aangegeven dat de gronden bestemd zijn voor:

a. niet-gebiedsgebonden bedrijven;

b. opslag van consumentenvuurwerk, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vuurwerkopslag'.

Uit deze bestemmingsomschrijving is op te maken dat de gronden met de bestemming 'Bedrijf' dus ook voor 'niet-gebiedsgebonden bedrijven' bestemd zijn. Nu de plannen voor de uitbreiding van het vuurwerkopslag niet doorgaan en om te voorkomen dat er zich andere bedrijven hier gaan vestigen, heeft de gemeenteraad op 21 november 2017 een voorbereidingsbesluit genomen. Hierin is aangegeven dat binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan moet worden voorbereid waarbij de bedrijfsbestemming aan de noordzijde van de Visserijdijk, inclusief de Visserijdijk, moet worden herbestemd naar de bestemming zoals voor vaststelling van het bestemmingsplan uit 2013 goldt. Hierdoor krijgt een groot deel van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en een klein deel de bestemming 'Natuur'. Deze bestemmingen zijn op de plankaart verbeeld.

Onderbouwing herbestemmen

Grootschalige bedrijvigheid in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre is niet wenselijk. Dergelijke grootschalige bedrijven kunnen zich vestigen op bedrijventerreinen. Deze bedrijventerreinen zijn hiervoor speciaal ontwikkelt.

Lesli BV is al gevestigd in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. Op deze gronden vindt opslag van vuurwerk plaats in speciaal daarvoor aangepaste gebouwen (bunkers). Uitbreiding van deze opslag aansluitend aan de bestaande bebouwing is dan wenselijk. Opslag van vuurwerk is, vanwege de gevaar- zetting, niet wenselijk in dicht bebouwde gebieden. Er is daarom in 2013 gekozen om uitbreiding van de bestaande bebouwing in het buitengebied toe te staan om zo te voorkomen dat op de locatie van Lesli in de bebouwde kom van Lichtenvoorde vuurwerkopslag plaats zou vinden. Het daarvoor vastgestelde bestemmingsplan is ook specifiek vastgesteld voor uitbreiding van de opslag van vuurwerk. Overige 'niet-gebiedsgebonden bedrijven' kunnen zich vestigen op de aanwezige bedrijventerreinen in de gemeente Oost Gelre.

Nu uitbreiding van Lesli BV op deze locatie geen doorgang meer vindt, en overige 'niet-gebiedsgebonden bedrijven 'op deze locatie niet wenselijk is, is besloten om de gronden te herbestemmen naar de oorspronkelijke bestemming.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Algemeen

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.

4.2 Internationaal- en Rijksbeleid

4.2.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura-2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.

De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor eventuele Vogelrichtlijngebieden.

4.2.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.

Op basis van de Habitatrichtlijn zijn de zogenaamde Natura 2000-gebieden aangewezen. Op ruim vier kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied Korenburgerveen. Er is geen sprake van een (direct) ruimtelijk effect van de functiewijziging naar wonen. Indirect zijn er ook geen negatieve effecten te verwachten.

4.2.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Het verdrag is uitgewerkt in de Wet op de archologische monumentenzorg. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. Gemeentes moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met aanwezige en te verwachten monumentale- en archeologische waarden.

Het verdrag van Valletta is op gemeentelijk niveau verder uitgewerkt in een gemeentelijk beleid en de kaart archeologische verwachtingswaarden. In paragraaf 5.2 wordt hier nader op ingegaan.

4.2.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

In paragraaf 5.1 is nader ingegaan op de concrete wateraspecten van dit plan.

4.2.5 Structuurvisie Infrastructuur en milieu

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd, de voor dit plan relevant belang is:

Nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Voor dit plan wordt de gebruikelijke procedure met alle wettelijke publicatiemomenten gevolgd.

4.3 Provinciaal beleid

4.3.1 Omgevingsvisie en -verordening Gelderland

Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 1 januari 2018 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.

Op het plangebied gelden de regels voor Landbouw, Glastuinbouw, Natuur en Landschap. Bij landbouw worden met name regels gesteld ten aanzien van grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijbedrijven. Solitaire bedrijfslocaties in het buitengebied worden niet men name genoemd in deze omgevingsverordening. Het verzoek wordt dan ook beschouwd als een lokaal initiatief die dient te passen in het gemeentelijk beleid.

Glastuinbouw is hier niet aan de orde en bij Natuur en Landschap geldt met name de bescherming van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Ten zuiden van het plangebied is een kleine strook GNN aanwezig. Dit grenst echter niet aan het plangebied. De regels van het GNN zijn hierop dan ook niet van toepassing.

Het plangebied is ook niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0005.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01_0006.png"

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Geldend bestemmingsplan

Op 8 oktober 2013 is door de gemeenteraad van Oost Gelre voor het plangebied een bestemmingsplan vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf', voorzien van een bouwvlak met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifieke vorm van bedrijf - vuurwerkopslag'. Daarnaast geldt nog een bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - fase 1' en 'specifieke bouwaanduiding - fase 2'. Voor het gehele perceel geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwchtingswaarde 2' wat aangeeft dat bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 het verplicht is een archeologisch onderzoek uit te voeren.

Door middel van een procedure om herziening van het bestemmingsplan wordt de bestemming 'Bedrijf' herzien in de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Natuur'. Bodemingrepen vinden hierbij niet plaats.

4.4.2 Structuurvisie De Besselinkschans

In de visie wordt voorgesteld om het gebied De Besselinkschans te ontwikkelen als een duurzaam recreatielandschap met tevens ruimte voor evenementen. De ontwikkeling van de recreatieve mogelijkheden van het gebied komt centraal te staan. De ontwikkelingen vinden plaats in een aantrekkelijk landschap dat duurzaam behouden blijft en versterkt wordt op de plekken waar het kan. De visie bevat vier scenario's, waarin staat aangegeven op welke wijze het recreatielandschap kan worden ontwikkeld. Een zorgvuldige belangenafweging is hierbij essentieel. Het gebied De Besselinkschans is hierbij ook belangrijk op een iets hoger schaalniveau, omdat enkele belangrijke netwerkstructuren door het gebied lopen. Het gaat om netwerken, zoals verkeer, water, natuur en recreatieve routes. De visie voorziet in een integrale aanpak.

Het terugbrengen van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' op de gronden waar nu nog de bestemming 'Bedrijf' met een bouwvlak is gevestigd is passend voor de doelstelling zoals genoemd in de Structuurvisie.

4.4.3 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.

Het plangebied ligt in het landschapsensemble 'Het dorp Lichtenvoorde' wat is uitgewerkt in een drietal thema's: Lichtenvoorde-O: 'hamelanen en lichtpunten', Lichtenvoorde-Z: 'beekdal door het dorp' en Lichtenvoorde-NW: 'diekpad en voordesingel' en ieder met zijn eigen doelstelling en ontwikkeling.

In het algemeen worden de volgende landschapselementen gestimuleerd:

- hamelanen en vraaghagen op de hellingen;

- boerenlanen in landgoederen; losse lanen met menging van eik en berk, zwarte els (nat) en es. Soms ook populier en wilg;

- diekpaden in de broekontginning: elzensingels, soms met pad;

- overlopers in het westen kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin elzensingels, elzenbroek of berkensingel, ook toe te passen als beekbegeleidende beplanting.

En zijn de op te poetsen parels:

- golvende hellingen van de plateaurand met uitzichtpunten;

- de Hofbeek;

- de elzensingels in de westelijke ontginningen;

- plekken om te verpozen eventueel met bankjes;

- verschraalde bermen bij erf en typerende beplantingen.

Hierbij wordt beoogd de in het landschapsensemble genoemde parels te beschermen en op te poetsen en wordt beoogd de aanwezige landschapselementen te stimuleren.

Hoofdstuk 5 Onderzoeksresultaten

In het bestemmingsplan 'Uitbreiding Lesli Vuurwerk Visserijdijk' van 8 oktober 2013 is een hoofdstuk gewijd aan de Onderzoeksresultaten ter beoordeling van de milieutechnische aspecten bij de beoogde invulling van het plangebied.

De beoogde planontwikkeling vindt geen doorgang. Het huidige gebruik van het plangebied blijft ongewijzigd. Een nadere toetsing van de milieuaspecten is dan eigenlijk ook overbodig. Ik het kort zijn de milieuaspecten aangegeven. Het gaat hierbij om de watertoets, beoordeling van de bodemgesteldheid, de natuurwaarden, cultuurhistorie en archeologie, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en overige milieu-aspecten.

5.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema Watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

Nee
Nee  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Nee
 
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Enkelke relevante thema's zijn hieronder nader uitgewerkt.

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Verhard oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Het plangebied was beoogd om te bebouwen met bouwwerken. Hierdoor ontstaat bebouwd oppervlak waarbij maatregelen moeten worden getroffen om geen wateroverlast te veroorzaken. Nu deze 'verharding van het oppervlak' niet meer doorgaat kan het hemelwater weer op natuurlijke wijze worden afgevoerd.

Inrichting en beheer

Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmateriaal van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd.

De voorgenomen ontwikkelingen wijzigen de watergang niet waardoor er geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem is.

Uit bovengenoemde blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel en in de directe omgeving geen negatieve invloed zal hebben op het waterketen en -beheer.

5.2 Bodem en Archeologie

In het kader van de beoogde ontwikkelingen op de bedoelde percelen is door Milieutechniek Rouwmaat in 2011 een bodemonderzoek uitgevoerd. Hiervoor is een rapport opgesteld waarin wordt geconcludeerd dat er geen milieuhygienische belemmeringen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkelingen.

Dit geldt ook voor de archeologische verwachtingen. Hiervoor is in 2011 door de Archeodienst een onderzoek uitgevoerd waarbij is uitgewezen dat de lage verwachtingswaarde kan worden gehandhaafd.

Nu er zich geen ontwikkelingen op de percelen meer voordoen is aanvullend bodem- en archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk.

5.3 Natuurwaarden

Nu de beoogde bouwkundige ontwikkelingen geen doorgang vinden, zal het plangebied niet wijzigen en worden de natuurwaarden niet aangetast en/of verstoord. Daarnaast geldt ten allen tijde de algemene zorgplicht zoals bedoeld in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming.

5.4 Leefomgeving

5.4.1 Wegverkeerslawaai

Nu er geen geluidsgevoelige objecten worden opgericht, als zijnde woningen, is er geen onderzoek naar het wegverkeerslawaai noodzakelijk.

5.4.2 Woon- en leefklimaat

De beoogde ontwikkelingen vinden geen doorgang zodat het woon- en leefklimaat in woningen niet nadelig wordt beinvloed.

5.4.3 Toekomstige ontwikkelingen

Nu de beoogde ontwikkelingen geen doorgang vinden geldt ook hier dat de toekomstige ontwikkelingen van omliggende bedrijven niet worden belemmerd.

5.5 Externe veiligheid

Nu de beoogde ontwikkelingen geen doorgang vinden geldt ook hier dat externe veiligheid geen belemmering vormt.

Aangezien er op het perceel alleen consumentenvuurwerk wordt opgeslagen in opslagplaatsen met een maximale capaciteit van 50.000 kg per opslagplaats, kan worden volstaan met een vaste afstand vanaf de opslagplaats tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Deze is afhankelijk van de grote van de deuropening van de opslagplaats, maar bedraagt maximaal 30 m. Gezien het bestaande bedrijf in relatie tot de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning is het opnemen van een veiligheidzone niet noodzakelijk. Deze was wel opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Deze zone is om de hiervoor genoemde reden dan ook geschrapt en niet meer verbeeld op de plankaart.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

In de Regels van het geldende bestemmingsplan 'Uitbreiding Lesli Vuurwerk Visserijdijk' van 8 oktober 2013 zijn regels opgenomen die niet-gebiedsgebonden bedrijven toelaten binnen de bestemming 'bedrijf'. Dit is een ongewenste ontwikkeling zodat, nu de plannen voor de uitbreiding van het vuurwerkopslag niet doorgaan en om te voorkomen dat er zich andere bedrijven hier gaan vestigen, de gemeenteraad op 21 november 2017 een voorbereidingsbesluit heeft genomen. Hierin is aangegeven dat binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan moet worden voorbereid waarbij de bedrijfsbestemming aan de noordzijde van de Visserijdijk, inclusief de Visserijdijk, moet worden herbestemd naar de bestemming zoals voor vaststelling van het bestemmingsplan uit 2013 goldt. Hierdoor krijgt een groot deel van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en een klein deel de bestemming 'Natuur'. Deze bestemmingen zijn op de plankaart verbeeld.

Hoofdstuk 7 Juridisch planbeschrijving

7.1 Algemeen

Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP-2008) gepresenteerd. Deze standaard geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de opzet van bestemmingsplannen. Op aan groot aantal punten wijkt deze standaard af van de tot nu toe gebruikelijke vormgeving van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2008 (IMRO-2008) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2008 (PRBP-2008).De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

Bovengenoemd rapport, model en richtlijn zijn in 2012 gewijzigd in SVBP-2012, IMRO-2012 en PRBP-2012. Dit bestemmingsplan is met deze standaarden tot stand gekomen.

7.2 Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan Buitengebied herziening gronden Visserijdijk Lichtenvoorde is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI2002-VG01 de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard. Indien er verschillen aanwezig mochten zijn tussen de digitale en de analoge verbeelding dan is op grond van artikel 1.2.3 Bro de digitale verbeelding beslissend.

7.3 Regels

De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs-, en slotregels.

Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

8.1 Haalbaarheid

De wijziging van het bestemmingsplan en de bijbehorende procedure worden door de gemeente bekostigd.

8.2 Exploitatieplan

Met het voorliggende plan wordt geen nieuwbouw mogelijk gemaakt. Een exploitatieplan en/of een anterieure overeenkomst is dan ook niet nodig.

8.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van de herziening van het bestemmingsplan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage worden gelegd (overeenkomstig afdeling 3:4 Algemene Wet bestuursrecht). Binnen deze termijn kan een ieder zijn/haar zienswijze omtrent de herziening indienen. Dan zal ook duidelijk worden hoe omwonenden tegen het plan aankijken. Ingebrachte zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming.

Gedurende de ter inzage leggeing van het ontwerp bestemmingsplan is een zienswijze ingediend. Deze zienswijze is verwoord en beantwoord in een 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen' welke onderdeel uitmaakt van deze herziening. De zienswijze geeft geen aanleiding om de gevraagde herziening van het bestemmingsplan niet vast te stellen.

8.3.1 Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Gelderland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.

In de ontwerpfase worden de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de inzage termijn zijn er geen zienswijzen en/of op- en/of aanmerkingen ingekomen.