direct naar inhoud van Artikel 4 Centrum
Plan: Dorpskern Lichtenvoorde 2009
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPLIC100-VS03

Artikel 4 Centrum

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. detailhandel (met uitzondering van detailhandel in volumineuze goederen en supermarkten, behoudens het bepaalde in lid 1.c);
  • b. dienstverlening;
  • c. supermarkten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  • d. horecavoorzieningen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
  • e. bestaande woningen op de begane grond;
  • f. woningen en kamerbewoning op de verdiepingen van de gebouwen, niet zijnde een kap,

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en tuinen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd.

4.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de goothoogte en de bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • c. het aantal woningen en kamers voor kamerbewoning mag niet toenemen.

4.2.3 Aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bestaande woningen op de begane grond gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 70 m² bedragen, met een maximum van 50% van het bouwperceel achter (het verlengde van) de voorgevel;
  • b. de bouwhoogte mag maximaal 5 m bedragen en mag niet hoger zijn dan de bouwhoogte van de woning;
  • c. de goothoogte van een bijgebouw of overkapping mag maximaal 3 m bedragen en niet hoger zijn dan de goothoogte van de woning;
  • d. de goothoogte van een aan- of uitbouw mag niet hoger zijn dan maximaal 0,25 m boven de bovenkant van de verdiepingsvloer van de woning;
  • e. een uitbouw aan de voorgevel mag maximaal 40% van de breedte van de voorgevel bedragen en maximaal 1,5 m diep zijn;
  • f. de breedte van aan- en uitbouwen aan de zijgevel mag maximaal 3 m bedragen;
  • g. de maximale diepte van aan- en uitbouwen mag bij aan de achterzijde van vrijstaande woningen maximaal 4 m bedragen. Voor alle andere woningtypen mag de maximale diepte maximaal 3 m bedragen;
  • h. een strook van minimaal 8 m, gerekend van de achtergevel tot de achterste erfgrens, dient vrij te blijven van aan- en uitbouwen;
  • i. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen liggen ten minste 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van woning. Voor een overkapping geldt een minimale maat van 1 m.
  • j. de afstand van aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 1 m bij vrijstaande woningen;
  • k. serres ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding -serre'. De bouwhoogte van de serres mogen niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven.

4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag voor de voorgevel maximaal 1 m en achter de voorgevel maximaal 2 m bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder art. 4.2.4, sub a, mag de bouwhoogte van antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare andere bouwwerken maximaal 10 m bedragen.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het elders in deze regels bepaalde, nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. dakvormen, dakhellingen en nokinrichtingen van de bebouwing;
  • b. de (goot)hoogte van de gebouwen;
  • c. de breedte van de gebouwen;
  • d. de oriëntering van de gebouwen;
  • e. de wijze van afdekking van de gebouwen;
  • f. het aantal en de situering van parkeerplaatsen op het terrein.

De nadere eisen mogen niet op onevenredige wijze het gebruik van bouwwerken en gronden aantasten.

4.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. Het is verboden de in deze bestemming begrepen gronden en de daarop voorkomende opstallen te gebruiken of in gebruik te geven of te laten voor een doel of op een wijze strijdig met deze bestemming.
  • b. Als met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval bedoeld het gebruik van de gronden en de daarop voorkomende bouwwerken c.q. gebouwen of delen daarvan ten behoeve van een seksinrichting.

4.5 Ontheffing van de gebruiksregels
4.5.1 Gevallen waarvoor ontheffing kan worden verleend

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a. art. 4.1 sub c en d voor de functies, als bedoeld onder art. 4.1. sub a, en b;
  • b. art. 4.1 sub a, b en c voor de functie als bedoeld onder art. 4.1 sub d;
  • c. art. 4.1 sub f voor woningen en kamerbewoning onder de kap van een gebouw.

4.5.2 Criteria

De in art. 4.5.1 genoemde ontheffingen kan slechts worden verleend, onder de voorwaarden dat:

  • a. in voldoende mate voorzien wordt in parkeergelegenheid in/bij het gebouw;
  • b. er geen belemmeringen voor in de omgeving voorkomende functies ontstaan;
  • c. de bestaande ruimtelijk kwaliteit niet aangetast wordt.

4.6 Wijzigingsbevoegdheid
4.6.1 Wijziging bestemming

Burgemeester en wethouders zijn, overeenkomstig , bevoegd de bestemming 'Centrum' te wijzigen in de bestemming 'Verkeer'. De regels van art. 12 'Verkeer' zijn van overeenkomstige toepassing;

4.6.2 Wijziging situering en vorm bouwvlakken

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsbevoegdheid' de situering en de vorm van bouwvlakken te wijzigen danwel nieuwe bouwvlakken aan te geven.

4.6.3 Wijziging bouwhoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsbevoegdheid' de bouwhoogte te wijzigen mits deze niet meer bedraagt dan 12 m.

4.6.4 Procedureregels

Bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt het bepaalde in art. 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening in acht genomen.

4.6.5 Criteria

De in art. 4.6.1 tot en met 4.6.3 genoemde wijziging kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaats vindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

en het kostenverhaal voor de gemeente voldoende verzekerd is.