direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijf
Plan: Vragender herziening Gunnewick Winterswijkseweg 16
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPVRA003-VG07

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een mengvoederbedrijf met ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mengvoederbedrijf';
  • b. een korenmolen;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument', voor de bescherming van een rijksmonument;
  • d. de binnenopslag van goederen en kunstmeststoffen;
  • e. het opslaan van kuilvoer in sleufsilo's;
  • f. het opslaan van vloeibare grondstoffen in bovengrondse opslagtanks;
  • g. weegbrug voor wegen van voertuigen;
  • h. wasplaats voor wassen van eigen voertuigen;
  • i. werkplaats voor kleinschalig onderhoud aan installaties en eigen voertuigen;
  • j. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' met kantoor- cq. administratieruimte en kantine.

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in- en uitritten, groenvoorzieningen, erfverhardingen en parkeervoorzieningen alsmede ondergeschikte detailhandel.

In de bedrijfswoning is de uitoefening van een aan huis verbonden beroep toegestaan, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt met een gezamenlijk maximum van 50 m2. De activiteit mag niet leiden tot belemmeringen voor de omliggende functies en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer. Ten behoeve van de activiteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd.

3.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen niet meer zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' alsmede 'maximale bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • c. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak bedraagt 100%.
  • d. de maatvoering van de bestaande bebouwing, waarop geen aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte is aangegeven, mag niet meer bedragen dan de maatvoering zoals deze gold op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht.
3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2 m bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van antennes, vlaggenmasten, lantaarnpalen en vergelijkbare andere bouwwerken maximaal 10 m bedragen.
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het elders in deze regels bepaalde, nadere eisen stellen met betrekking tot:

  • a. dakvormen, dakhellingen en nokinrichtingen van de bebouwing;
  • b. de (goot)hoogte van de gebouwen;
  • c. de breedte van de gebouwen;
  • d. de oriëntering van de gebouwen;
  • e. de wijze van afdekking van de gebouwen;
  • f. het aantal en de situering van parkeerplaatsen op het terrein.

De nadere eisen mogen niet op onevenredige wijze het gebruik van bouwwerken en gronden aantasten.

3.4 Afwijking van de bouwregels
3.4.1 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2, onder d. en toestaan dat de maatvoering van de bestaande bebouwing wordt gewijzigd, met dien verstande dat:


1. er sprake dient te zijn van een bouwtechnische noodzaak tot verhoging van het bouwwerk welke dient te zijn aangetoond;

3.4.2 Afwegingskader

Een in 3.4 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de molen;
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Verboden gebruik

Met ingang van 2 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt onder verboden gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening, verstaan:

  • a. het in gebruik hebben van bebouwing ten behoeve van het bepaalde in artikel 3.1, onder d., indien niet binnen twee jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan de beschreven groenelementen, zoals aangegeven in het landschapsplan genaamd 'Landschappelijke inpassing van twee loodsen d.d. 27 maart 2013, zijn aangelegd;
  • b. het in gebruik hebben van bebouwing ten behoeve van het bepaalde in artikel 3.1, onder d., indien de in onderdeel a. van dit artikel genoemde landschapselementen niet in stand worden gehouden.
3.5.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt begrepen het gebruik, dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a. detailhandel (uitgezonderd ondergeschikte detailhandel);
  • b. wonen;
  • c. bevi-inrichtingen, zijnde inrichtingen die vallen binnen het Besluit externe veiligheid inrichtingen;