direct naar inhoud van 4.4 Provinciaal beleid
Plan: Vragender herziening Gunnewick Winterswijkseweg 16
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPVRA003-VG07

4.4 Provinciaal beleid

4.4.1 Streekplan

Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 29 juni 2005 het Streekplan Gelderland 2005 vastgesteld. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening kent geen streekplannen meer, maar een structuurvisie, met een zelfbindende werking. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben en geen rechtstreekse doorwerking naar gemeentelijke plannen. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het Streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. Op de streekplankaart is Gelderland onderverdeeld in een 'groenblauw' raamwerk, een 'rood' raamwerk en een multifunctioneel gebied. Het plangebied is gelegen in het multifunctioneel gebied en daarbinnen specifiek aangewezen als waardevol landschap. In het provinciaal planologisch beleid, weergegeven in de Ruimtelijke Verordening Gelderland, zoals genoemd in paragraaf 4.4.2, wordt op deze gebieden expliciete provinciale sturing gericht.

4.4.2 Ruimtelijke verordening Gelderland

Op 15 december 2010 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke verordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met het streekplan Gelderland 2005 het ruimtelijk beleid.

Op 27 juni 2012 heeft Provinciale Staten van Gelderland de eerste herziening van voornoemde verordening vastgesteld. In deze herziening is aangegeven dat de volgende aandachtspunten op het plangebied van toepassing zijn en nader dienen te worden onderbouwd: verstedelijking, Nationaal landschap en molenbiotoop.

4.4.2.1 Verstedelijking

Op de bij de verordening behorende kaart Verstedelijking is aangegeven dat de bestaande bebouwing op het perceel Winterswijkseweg 16 te Vragender is gelegen in bestaand stedelijk gebied. De beoogde nieuwbouw is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied en niet gelegen in de in de verordening aangegeven zoekzones zodat nieuwbouw buiten het bestaand stedelijk gebied in eerste instantie niet mogelijk is. Ook paragraaf 2.3 waarbij 'Nieuwe bebouwing onder voorwaarden is toegestaan' biedt geen mogelijkheden voor de gewenste nieuwbouw op het perceel.

Paragraaf 2.6 van de verordening geeft aan dat in een bestemmingsplan nieuwe bebouwing tevens mogelijk wordt gemaakt indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat sprake is van een ontwikkeling die redelijkerwijs niet kan worden gerealiseerd binnen de hierboven genoemde gebieden en indien deze ontwikkeling bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

4.4.2.2 Nationaal landschap

Het doel voor de Nationale landschappen is om landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten te behouden, duurzaam te beheren en waar mogelijk te versterken. In samenhang hiermee zal de toeristisch-recreatieve betekenis moeten toenemen.

Het ruimtelijk beleid voor waardevolle landschappen is: behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. Voor de waardevolle landschappen als geheel geldt binnen de voorwaarde dat de kernkwaliteiten worden versterkt, en bij inachtneming van het beleid voor functieverandering in het buitengebied een 'ja, mits'-benadering voor het toevoegen van nieuwe bouwlocaties en andere ruimtelijke ingrepen. In de waardevolle landschappen is lokale en regionale ontwikkeling mogelijk. Aard, omvang en vormgeving in samenhang met de kernkwaliteiten zijn bepalend. Ruimtelijke ontwikkeling kan bijdragen aan de versterking van het landschap. Bij de ruimtelijke afweging van een nieuwe functie(combinatie) speelt het bijbehorende landschapsontwerp een belangrijke rol om de bijdrage van de ruimtelijke ingreep aan versterking van de kernkwaliteiten te bepalen.

4.4.2.3 Molenbiotoop

In de verordening is aangegeven dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen de molenbiotoop geen nieuwe bebouwing danwel beplanting wordt toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt.

4.4.2.4 Onderbouwing Verstedelijking

Het huidige bedrijfsterrein is te klein en biedt onvoldoende toekomstperspectief. Vanwege wettelijke regelgeving dienen aanpassingen in het bedrijf te worden uitgevoerd. Zo dient partij-identificatie plaats te vinden waardoor er meer opslagruimte voor grondstoffen benodigd is. Daarnaast dienen kunstmeststoffen inpandig te worden opgeslagen. Binnen de bestaande bebouwing is daarvoor niet genoeg opslagruimte aanwezig. Hierdoor moet worden uitgeweken naar buiten het bebouwingsvlak met de bestaande bebouwing of binnen het bestaande bebouwingsvlak de lucht in. Daarnaast is bedrijfsverplaatsing ook een optie.

Uitbreiding buiten het bebouwingsvlak is uitbreiden op een bestaande es. Dit is op zich geen gewenste ontwikkeling zodat bekeken is of binnen het bestaande bebouwingsvlak 'de lucht in' een alternatief biedt. Een hoge grondstoffensilo van 25 á 30 meter hoog met een grondoppervlak van ca. 300 á 350 m2 zou de gewenste uitbreiding met vlakloodsen kunnen vervangen. Dit zou een optimale uitbreidingsmogelijkheid zijn waarmee aan de wettelijke eisen inzake Tracking en Tracing, de hygiëne-eisen ten behoeve van het opslaan van voedermiddelen in de voedselketen, zou kunnen voldoen. Hierdoor is minder (bedrijfs)- oppervlak nodig maar zal wel nadrukkelijker het dorpsgezicht gaan bepalen. De impact van een vlakloods richting de es geeft minder impact dan een 25 tot 30 meter hoog gebouw.

Een andere optie om niet te hoeven bouwen op de es is bedrijfsverplaatsing. Deze mogelijkheid is op allerlei manieren onderzocht. Aanzet daartoe was een publicatie van de Europese gemeenschap waarin voor een deel van Oost Nederland een behoorlijke subsidiepot voor herinrichting e.d. beschikbaar was. Om gebruik te kunnen maken van deze subsidie was co-financiering van de gemeente en provincie noodzakelijk. De gemeente had niet genoeg financiële middelen om daar destijds aan mee te werken. Met een tweetal collega bedrijven, welke ook in een situatie zaten met beperkingen, zou worden samengewerkt om zo te komen tot één nieuwe locatie voor een mengvoederbedrijf. Hierbij zouden vier locaties worden samengevoegd tot één.

De mogelijkheden hiervoor zijn onderzocht door bureau Spa/Plattelandshuis (Zelhem), een van de grootste subsidiebureaus van Nederland (apb), een ingenieursbureau (Brocatech) en een juristenbureau (jpr). Allen kwamen gezien de kosten tot een negatief oordeel. Hierna hebben de twee 'partners' afgehaakt en kwam het bedrijf alleen te staan. Bedrijfsverplaatsing is voor Gunnewick geen optie omdat dit financieel niet haalbaar is.

Bouwen op de es

Zoals hierboven is aangegeven zijn er geen alternatieven voorhanden om te voorkomen dat er richting de Vragender es uitgebreid gaat worden. Wel worden de te bouwen gebouwen landschappelijk ingepast. Hiervoor is een Landschappelijk inpassingsplan opgesteld en zijn afspraken gemaakt in het kader van de ontwikkelingsvisie voor het dorp Vragender waarin Gunnewick ook een bijdrage zal leveren.

In paragraaf 6.1 wordt verder ingegaan op de landschappelijke inpassing, de verplichting uit de ontwikkelingsvisie in relatie met de uitbreiding richting Vragender es. Om er zeker van te zijn dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden wordt met verzoeker een anterieure overeenkomst afgesloten (privaatrechtelijke overeenkomst).

De voorgenomen ontwikkeling voldoet hierbij aan het genoemde in artikel 2, onder 2.6 van de Ruimtelijke verordening Gelderland.

4.4.2.5 Onderbouwing Nationaal landschap

Het plangebied aan de Winterswijkseweg 16 valt binnen de categorie 'Waardevol landschap binnen nationaal landschap'. Voor de (delen van) Waardevolle landschappen die niet in de EHS en/of Waardevolle open gebieden liggen, geldt het 'ja,mits'- regime: activiteiten zijn toegestaan mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt. Dat betekent dat ontwikkelingen van allerlei aard mogelijk zijn, waarbij overigens wel geldt dat deze landschappen zich niet lenen voor grootschalige verstedelijking. Wanneer een van de in het geding zijnde kernkwaliteiten wordt aangetast, maar andere kernkwaliteiten worden versterkt, en er over het geheel genomen sprake is van versterking van de kernkwaliteiten, kan dit acceptabel zijn. Bij toepassing van deze benadering kan het nodig zijn om het plangebied te vergroten om tot een acceptabele uitkomst te komen. Dat is niet het geval bij aantasting van onvervangbare en/of zelfzame kernkwaliteiten als karakteristieke openheid of sommige verkavelingspatronen. Algemene regels worden hier niet voor gegeven. Het is maatwerk.

Beschrijving kernkwaliteiten Nationaal landschap Winterswijk

Het gebied heeft de volgende kernkwaliteiten:

  • 1. kleinschalig landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken en boerderijen;
  • 2. rijk aan microrelief (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde);
  • 3. meanderende beken, overstromingsvlaktes in laagtes;
  • 4. fraaie, open essen en bijzondere broekgebieden;
  • 5. historisch nederzettingspatroon vervlochten in het landschap.

Het pangebied is gelegen in de bebouwde kom van Vragender. De beoogde bebouwing zal voornoemde kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Winterswijk niet aantasten. Door landschappelijke inpassing rondom het plangebied kan zelfs sprake zijn van versterking van de kernkwaliteiten.

4.4.2.6 Onderbouwing molenbiotoop

Tussen de bestaande gebouwen van Gunnewick mengvoeders is de molen De Vier Winden gesitueerd. In het vigerende bestemmingsplan en conform de Gelderse Molenverordening ligt het voorliggende plangebied in de beschermingszone van de molen.

Ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf Gunnewick is een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van deze uitbreiding. Het onderzoek (biotooprapport De Vier Winden in Vragender) is als bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

De biotoopopname heeft geleerd dat de kleine loods met een hoogte van 10 m in de praktijk geen onoverkomelijke gevolgen zal hebben voor de molen. De nokhoogte van dit gebouw overschrijdt de norm met enkele tientallen centimeters. In de praktijk zal deze overschrijding geen merkbare achteruitgang van de windvang tot gevolg hebben, het functioneren van de molen is dan ook niet in het geding. De nieuwe grote loods wordt daareentegen enkele meters hoger dan de norm en heeft wel degelijk een nadelige invloed op de windvang. Dit is met name het geval in het zuidwesten. In de huidige situatie kan de wind uit deze overheersende windrichting de molen nog ongestoord bereiken, maar na plaatsing van de loods is hiervan geen sprake meer. Het gevolg zal zijn dat het rendement van de molen bij wind uit deze richting terugloopt.

Het huidige gebruik en de geschiedenis van de molen maken een achteruitgang van de windvang in dit specifiek geval acceptabel. De uitbreiding van twee loodsen is van cruciaal belang om de toekomst van het familiebedrijf op deze plaats te garanderen. Daarmee kan de unieke sfeer die er in en rondom de molen heerst behouden blijven, bovendien is hiermee de instandhouding van een Rijksmonument gewaarborgd. Omdat de hoogte van de blokkade die de grote loods opwerpt beperkt blijft tot 3 meter, zal de molen kunnen blijven functioneren bij wind uit deze richting. Het gestroomlijnde wieksysteem op de molen draagt hieraan bij. Alleen zal het rendement (en dus ook de productie) wat achteruit gaan. De vereniging is van mening dat dit niet in onevenredige mate gebeurt en adviseren om de plannen bij hoge uitzondering toe te staan.

De voorgenomen ontwikkeling voldoet hierbij aan het genoemde in artikel 22 van de Ruimtelijke verordening Gelderland.

4.4.3 Derde Waterhuishoudingsplan (WHP3)

Het 'Derde Waterhuishoudingsplan 2005-2009 (WHP3)', dat op 14 februari 2005 in werking is getreden, wordt richting gegeven aan de inrichting en het beheer van de waterhuishouding in Gelderland. Het Waterhuishoudingsplan schetst de mogelijkheden om de kansen van water voor mens en natuur goed te benutten in Gelderland. Naast kansen voor verbetering van de kwaliteit van onze leefomgeving zijn er ook maatregelen noodzakelijk om veiligheid te blijven bieden tegen overstroming met rivierwater en om wateroverlast na hevige regenval te voorkomen. De noodzaak voor deze maatregelen is groot nu de gevolgen van de klimaatverandering zichtbaar worden, met naar verwachting vaker droge zomers en natte winters. Het streefbeeld voor de lange termijn is dat in 2030 het waterbeheer volledig op orde is ten behoeve van de maatschappelijke functies. Voor deze functies zal door de waterschappen het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR) worden bepaald. De wensen ten aanzien van de waterhuishouding zijn per stroomgebied aangegeven, waarbij uitgangspunt is dat de knelpunten van een stroomgebied in principe binnen dat stroomgebied worden opgelost. De waterhuishouding van Groenlo maakt deel uit van de 'Stroomgebiedvisie Achterhoek-Liemers'. In het Waterhuishoudingsplan wordt ingegaan op de visie voor de lange en middellange termijn. Daarnaast wordt aangegeven wat er heel concreet in de planperiode) zal worden opgepakt. Gedurende de planperiode 2005-2009 wordt met name ingezet op de uitvoering van een zestal speerpunten. Drie speerpunten gaan over maatregelen die in Gelderland in het algemeen nodig zijn en drie over extra maatregelen in actiegebieden. Groenlo bevindt zich niet in een actiegebied. Wel geldt het basisbeleid dat provinciebreed nodig is.

4.4.4 Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan dat op 9 december 2008 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, wordt de opvolger van het huidige derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het ontwerp Waterplan is tegelijk opgesteld met de ontwerp water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

4.4.5 Gelders Milieuplan 3

In het Gelderse Milieuplan ligt de nadruk vooral op een gezonde, schone en veilige leefomgeving voor mens en natuur. De provincie wil een leefomgeving die de huidige en toekomstige generaties kansen biedt om veilig en gezond te wonen, te werken en te recreëren. Om dit te bereiken zijn maatregelen nodig die de milieuverontreiniging tegen gaan. De maatregelen betreffen het verkeer en vervoer, het bedrijfsleven, de landbouw en het wonen.