direct naar inhoud van Ruimtelijke onderbouwing
concept
NL.IMRO.1586.PBLIC004-OW05

Ruimtelijke onderbouwing

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens bestemmingsplan

Omgevingsvergunning voor uitbreiding woning aan Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde  
Omgevingsvergunning: Ontwerp  
Mei 2012  
Inlichtingen:  
Afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en Beheer  
dhr. N. Rondeel  
Telefoonnummer 0544-393482  

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk kader

2.1 Aanleiding

Op 8 mei 2012 heeft wij een aanvraag om omgevingsvergunning ontvangen om medewerking aan de uitbreiding van de woning gelegen aan de Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde. Een aanbouw aan de achterzijde van de woning wordt gesloopt en hiervoor in de plaats komt nieuwbouw van een grotere uitbreiding van het hoofdgebouw.

2.2 Ligging en begrenzing

De woning is gelegen aan de Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde. De omgeving is te omschrijven als een woonomgeving met bedrijvigheid en landelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC004-OW05_0001.png"

Omgeving plangebied Aaltenseweg 91 Lichtenvoorde

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC004-OW05_0002.png"

Aaltenseweg 91 Lichtenvoorde

2.3 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven.

2.3.1 Aanleiding verbouwing

De woning Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde bestaat uit een hoofdgebouw, gelegen aan de wegzijde, met aan de achterzijde een aanbouw met afdak. Deze aanbouw maakt geen deel uit van het hoofdgebouw maar is gebruiksmatig wel met het hoofdgebouw betrokken.

De nokhoogte van de aanbouw bedraagt 4,5 meter. Door deze hoogte is het niet mogelijk de ruimte onder de nok functioneel te gebruiken. Om ook ruimte op de verdieping te creëeren wordt de aanbouw gesloopt en volgt er een uitbreiding van het hoofdgebouw door middel van nieuwbouw, waarbij de nokhoogte net zo hoog wordt als de bestaande nokhoogte van het hoofdgebouw,.

2.3.2 Vigerende bestemde situatie

Het plangebied is in het geheel gelegen in het 'uitbreidingsplan in hoofdzaken' waarbij het perceel is aangewezen als 'dorpsuitbreiding'. Binnen dit 'uitbreidingsplan in hoofdzaken' zijn geen uitbreidingsmogelijkheden aanwezig.

2.3.3 Gewenste situatie

De bestaande situatie ziet er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC004-OW05_0003.png"

De achterzijde wordt gesloopt en in de plaats hiervoor volgt nieuwbouw door middel van twee bouwlagen. Deze gewenste situatie ziet er als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.PBLIC004-OW05_0004.png"

Uitbreiding van de bestaande woning past niet in het geldende bestemmingsplan. Voor de uitbreiding is een omgevingsvergunning noodzakelijk waarbij wordt afgeweken van het geldende uitbreidingsplan in hoofdzaken. Middels een projectafwijking met een goede ruimtelijke onderbouwing, conform artikel 2.12. lid 1 onder a sub 3 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo) kan medewerking worden verleend aan het realiseren van de uitbreiding welke in strijd is met de huidige bestemming.

2.3.4 Stedenbouwkundig en welstand

De uitbreiding van het hoofdgebouw vindt plaats aan de achterzijde van het hoofdgebouw, dus in het achtererfgebied. De bouwmassa en bouwhoogte van de gewenste uitbreiding is in overeenstemming met het bestaande hoofdgebouw. Tezamen vormen de bestaande woning en gewenste uitbreiding een bouwkundige eenheid.

De gewenste uitbreiding is voorgelegd aan de Adviescommissie voor welstand. De adviescommissie is op 3 oktober 2011 akkoord gegaan met een concept van het bouwplan. Het nu ingediende bouwplan wijkt hier niet van af.

Voor het plan is een omgevingsaanvraag ingediend voor bouwen en strijdig gebruik met planologie. Een afwijking van het bestemmingsplan wordt toegestaan voor dit specifieke bouwplan. Een binnenplanse afwijking is niet in het vigerende 'uitbreidingsplan in hoofdzaken' opgenomen. Het bouwplan voldoet niet aan de regels zoals genoemd in de 'Beleidsregels voor buitenplanse afwijking Wabo' zodat de omgevingsvergunning moet worden afgehandeld met een procedure om omgevingsvergunning Wabo ex. artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wabo.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Algemeen

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat die relevant zijn voor het plangebied.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Streekplan
3.2.1.1 Algemeen

Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 29 juni 2005 het Streekplan Gelderland 2005 vastgesteld. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening kent geen streekplannen meer, maar een structuurvisie, met een zelfbindende werking. Dat wil zeggen dat ze geen juridische status hebben en geen rechtstreekse doorwerking naar gemeentelijke plannen. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 heeft het streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. Op de streekplankaart is Gelderland onderverdeeld in een 'groenblauw' raamwerk, een 'rood' raamwerk en een multifunctioneel gebied. Het multifunctioneel gebied beslaat het grootste deel van de provincie. Dit gebied omvat de steden, dorpen, buurtschappen buiten de provinciaal ruimtelijke hoofdstructuur, waardevolle landschappen en het multifunctioneel platteland. In het provinciaal planologisch beleid wordt op deze gebieden geen expliciete provinciale sturing gericht. De vitaliteit van de multifunctionele gebieden wordt bevorderd door planologische beleidsvrijheid voor samenwerkende gemeenten onder meer gericht op vitale steden en dorpen: elke regio heeft buiten een stedelijk netwerk of een regionaal centrum vele verspreid liggende steden, dorpen en buurtschappen die tezamen het voorzieningenniveau bepalen. In en bij deze bebouwde gebieden moet de regionale behoefte aan 'dorps' wonen geaccommodeerd kunnen worden. Hoofddoel van het streekplanbeleid is het scheppen van ruimte voor de verschillende ruimtevragende functies op het beperkte oppervlak. Om krachtige steden en vitale regio's te bevorderen zijn de belangrijkste uitgangspunten "bundeling van verstedelijking aan/nabij infrastructuur" en het "organiseren in stedelijke netwerken". Bundelingsbeleid is een centraal uitgangspunt voor de wijze waarop in het Gelders ruimtelijk beleid wordt omgegaan met verstedelijking. Bundeling in Gelderland heeft tot doel:

  • handhaving/versterking van de economische en culturele functie van de steden
  • behoud/versterking van het draagvlak voor stedelijke voorzieningen
  • een gedifferentieerde bevolkingssamenstelling in steden bevorderen ter vermindering van probleemcumulatie
  • kansen te bieden voor combinatie van arbeid/scholing, ontspanning en zorgtaken
  • optimale benutting van infrastructuur, kansen voor openbaar vervoer en fietsgebruik.

Dit bundelingsbeleid wordt ondersteund met het woon- en werkgelegenheids-beleid in Gelderland en de (WGR-) regio’s. De hoofdinfrastructuur vormt de ruggengraat van het ‘rode’ raamwerk. Daarnaast bepaalt de infrastructuur binnen de stedelijke netwerken de ruimtelijke organisatie van functies binnen de stedelijke netwerken. De vervoersknooppunten in het rode raamwerk zijn belangrijke aanknopingspunten voor intensivering van ruimtegebruik met stedelijke functies op netwerkniveau en van regionale aard en schaal.

In het provinciaal beleid voor stedelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen ‘bestaand bebouwd gebied’ en stedelijke uitbreiding. Het accent van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud van bestaand bebouwd gebied. Hiervoor zijn nodig:

  • een verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving en openbare ruimte door fysieke aanpassingen;
  • het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en –knelpunten door een duurzame planontwikkeling;
  • door kwalitatief woonbeleid bevorderen dat woonmilieus en de kwaliteit van de woningen aansluiten op de vraag van de inwoners van Gelderland;
  • intensivering van het stedelijk grondgebruik, maar wel met behoud van karakteristieke elementen en zorgvuldig omgaan met open ruimten daarbinnen;
  • optimalisering van het gebruik van het bestaand bebouwd gebied: meer gebruik van de verticale dimensie (hoogte, diepte) en van de tijdsdimensie (meervoudig gebruik van dezelfde gebouwde ruimte).

Bij transformaties (functieverandering van plekken) in bestaand bebouwd gebied gelden de volgende aanknopingspunten:

  • bij gunstige openbaar vervoer locaties: passende publieksfuncties;
  • bij gunstige weglocaties: gemengde of specifieke (werk)functies (met goede wegontsluiting);
  • hinderlijke/verouderde werkfuncties in de woonomgeving transformeren naar woonfuncties.
3.2.1.2 Sociaal-culturele functies

De sociaal-culturele infrastructuur is een bepalende factor voor de kwaliteit van de samenleving. Het is met name de verantwoordelijkheid van de (samenwerkende) gemeenten om bij de ruimtelijke inrichting rekening te houden met die sociaal-culturele infrastructuur, die in kaart is gebracht in de sociale en culturele atlas. Uitgangspunt is om bij ruimtelijke inrichtingsplannen ook voorzieningen te realiseren die nodig zijn om een goede sociaal-culturele infrastructuur in stand te houden of op te bouwen. Hiertoe is een sociale checklist ontwikkeld om in de planvorming na te gaan welke voorzieningen van belang zijn. Door een gunstige situering van functies ten opzichte van aanwezige voorzieningen kan er een goede bereikbaarheid worden gerealiseerd en voldoende draagvlak blijven bestaan.
Aanbod en vraag in het voorzieningenpatroon verandert voortdurend. Voorbeelden zijn de verschuivende vraag op het gebied van zorg (kleinschalige verpleegunits in de wijk) en voorzieningen op het gebied van welzijn, cultuur, recreatie, sport, onderwijs en kunst. Voorkomen moet worden dat de sociaal-culturele kwaliteit van de leefomgeving onder een bepaald minimum zakt. Met andere vormen van bundeling, bijvoorbeeld op basis van bereikbaarheid in netwerken, kan dit worden voorkomen. Sprekende voorbeelden hiervan zijn scholen en sportaccommodaties.

In algemene zin geldt dat uitbreiding of herstructurering/transformatie van stedelijk gebied bekeken moet worden op zijn consequenties voor de sociale en culturele kwaliteit van de leefomgeving. Elementen als ruimte voor voorzieningen, speelruimte, ontmoetingsmogelijkheden zijn daarbij medebepalend.
In het verlengde van de provinciale ontwikkelingstaak speelt de provincie een faciliterende rol in de analyse die voorafgaat aan de ruimtelijke verdeling van voorzieningen op het gebied van sport, onderwijs, jeugdzorg en cultuur in een gemeente of regio. Ook hierbij speelt de sociale en culturele atlas en de sociale checklist een belangrijke rol. Het sociaal-culturele beleid is vooral gericht op het realiseren van een gebieds-gerichte integrale aanpak van wonen, welzijn en zorg in zogenaamde woon-servicegebieden en een daarbij passende inrichting van de ruimte, met inbegrip van een multifunctioneel gebouw of Kulturhus.

3.2.1.3 Relatie plangebied

Met de ontwikkeling van het plan wordt een gebouw in een bestaand stedelijk gebied uitgebreid. Het plan leidt tot opwaardering van de ruimtelijke uitstraling van het gebouw en de omgeving. Verder past het plan in het streekplan qua versterking van de sociale voorzieningen.

3.2.2 Provinciale verordening

1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) met de daarbij behorende Invoeringswet in werking getreden. Hierbij is een nieuw stelsel van verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten ontstaan. Belangrijke uitgangspunten van de Wro zijn het duidelijke onderscheid tussen beleid, normstelling en uitvoering en het beginsel dat normstelling plaatsvindt door het meest geschikte overheidsorgaan. Normstelling op een hoger niveau vindt plaats indien een beleidsonderdeel niet op doelmatige of doeltreffende wijze door een lager overheidsorgaan kan worden behartigd, gezien de aard van de betrokken taak of de schaal waarop een aangelegenheid moet worden geregeld. Voor de formulering van het provinciale ruimtelijke beleid is de provinciale structuurvisie ingevolge artikel 2.2 Wro voor het streekplan in de plaats gekomen. Het streekplan Gelderland 2005 heeft op grond van het overgangsrecht de status gekregen van structuurvisie ingevolge artikel 2.2 lid 1 van de Wro. Daarnaast kunnen, indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud en toelichting van bestemmingsplannen. Op 25 november 2008 is door de provincie besloten voor een aantal onderwerpen, conform de Wro-agenda, de voorbereiding van de ruimtelijke verordening ter hand te nemen. Daarnaast is ook het Rijk bezig algemene regels neer te leggen in het "Ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (hierna te noemen Amvb). In deze Amvb worden zowel rechtstreeks, richting de gemeentebesturen, werkende algemene regels neergelegd (algemene regels ter zake van bestemmingsplannen) als ook algemene regels die door de provincie in de verordening neergelegd dienen te worden (algemene regels te stellen door provincies). Op grond hiervan zijn naast de reeds uit de Wro-agenda voortvloeiende onderwerpen nog enkele andere onderwerpen in de verordening opgenomen, te weten: verstedelijking (wonen en werken) buiten bestaand bebouwd gebied, hergebruik van bebouwing in het buitengebied en nationale landschappen. Onder de Wro heeft de provincie geen bemoeienis meer met lokale belangen. Gemeenten worden nu vrij gelaten de lokale aspecten naar eigen inzicht te regelen. In het verleden diende ieder bestemmingsplan door GS te worden goedgekeurd. Onder de Wro is het instrument van de goedkeuring komen te vervallen en heeft dit plaats gemaakt voor algemene regels. Gemeenten dienen deze algemene regels weliswaar in hun bestemmingsplannen te verwerken, maar behouden enige vrijheid in de wijze waarop zij dit doen. Deze algemene regels betreffen alleen onderwerpen met een duidelijk provinciaal c.q. nationaal belang.

3.2.3 Relatie plangebied

Het plangebied ligt ingevolge de provinciale verordening in bestaand bebouwd gebied en hierbinnen is nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken toegestaan. De gewenste uitbreiding van de woning aan de Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde voldoet hierbij aan de provinciale verordening.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

4.1 Bodemonderzoek

Milieutechniek Rouwmaat Groenlo b.v. heeft op 13 april 2012 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is de bodemkwaliteit ter plaatse te bepalen. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar voor het toekomstige gebruik van het terrein.

Het onderzoeksrapport met nummer MT.22142 is als bijlage bijgevoegd.

4.2 Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. In het "Waterbeheersplan 2007-2010" heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering?
2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee
Nee

Nee
 
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?  
Nee

Nee

Nee
Nee  
Oppervlakte-
waterkwaliteit
 
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?  
Nee

Nee
Nee
 
Grondwaterkwaliteit   1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee

 
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?   Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?  
Nee
Nee  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
AANDACHTSTHEMA'S  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee
 
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Bovengenoemde watertoets geeft geen aanleiding om voorzieningen aan te leggen of maatregelen te treffen om wateroverlast te voorkomen. Op het perceel is een waterberging aanwezig. In deze berging zal hemelwater worden opgevangen waarbij dit water de kans krijgt te infiltreren in de bodem.

4.3 Flora en Fauna

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden bezien of relevante soorten zoals genoemd in de Flora- en Faunawet worden aangetast of dat hun leefomgeving wordt verstoord. In onderhavig geval vindt sloop plaats van een deel van een bebouwing welke altijd in gebruik is geweest. Daarbij vindt nieuwbouw plaats nagenoeg op dezelfde plaats alwaar het gesloopte gebouw heeft gestaan.

In verband met bovengenoemde werkzaamheden is het niet te verwachten dat er relevante soorten uit de Flora en Faunawet aanwezig zullen zijn en/of worden verstoord. Een onderzoek hierna heeft dan ook niet plaatsgevonden.

4.4 Archeologie

Het perceel Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde is ingevolge de Archeologische beleidskaart, RAAP-rapport 1757, gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In deze gebieden dient te worden gestreefd naar behoud in huidige staat. Lukt dit niet dan dient bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld en bij een oppervlakte van meer dan 100 m2 een vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek plaats te vinden.

In onderhavig geval is de bodem al verstoord geweest terplekke van de te slopen aanbouw. Omdat op deze plek ook grotendeels de nieuwbouw gaat plaatsvinden wordt de oppervlakte van 100 m2bodemverstoring niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is in deze dan ook niet noodzakelijk.

Wel geldt bij bodemverstoring de algemene zorgplicht:

'Wel dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentnwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort'. Het dient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan direct in kennis te stellen.

4.5 Geluid

4.5.1 Wegverkeerslawaai

Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het nieuw te bouwen object komt te liggen in de geluidzone van de Aaltenseweg waarvoor een maximale snelheid geldt van 50 km/uur.

In de Wet geluidhinder is aangegeven dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die zijn gelegen in een zone van een weg rekening wordt gehouden met de geluidsbelasting van deze weg op gevels van woningen, van andere geluidgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen. De daarvoor geldende geluidsbelastingen worden weergegeven in artikel 82 en 100 van de Wet geluidhinder.

Getoetst wordt aan de gevel van een woning die het dichtst is gelegen bij een weg en waarachter zich een verblijfsruimte bevindt. De bestaande voorgevel van de woning Aaltenseweg 91 is de maatgevende gevel. Omdat dit een bestaande gevel is en hier geen wijzigingen in worden aangebracht behoeft deze niet te worden getoetst.

Nieuwbouw vindt plaats aan de achterzijde van de woning waarin ook verblijfsruimten worden gerealiseerd. Alhoewel dit geen verplichting is in de Wet geluidhinder is bekeken wat de geluidsbelasting op de nieuwbouw zal zijn afkomstig van het wegverkeer. Het gaat hierbij om een indicatieve berekening. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) kunnen er akoestiche maatregelen getroffen worden tegen de geluidsbelasting door bijv. aanbrengen van dubbel glas, rolluiken, etc. om een binnenwaarde te kunnen garanderen van de wettelijke norm 35 dB(A).

Uit de indicatieve berekening is gebleken dat de geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer op de Aaltenseweg op de nieuwbouw zijgevel ongeveer 55 dB bedraagt. Deze waarde overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB waarbij de dagperiode maatgevend is. De indicatieve berekening is bijgevoegd.

Geconcludeerd kan worden dat het wegverkeerslawaai geen invloed heeft op deze planontwikkeling maar door de hoge geluidsbelasting op de nieuwbouwzijgevel de eigenaar van de woning maatregelen kan treffen om de wettelijke norm van 35 dB(A) te kunnen garanderen.

4.5.2 Handboek bedrijven en milieuzonering

De woning is gelegen op een perceel grenzend aan het bedrijventerein De Kamp Zuid. Ontwikkelingen waarbij de toekomstige ontwikkelingen van de bedrijven op het bedrijventerrein worden beperkt zijn niet toegestaan. De nieuwbouw van de woning kan de toekomstige ontwikkelingen van het achterliggende bedrijf beperken.

Bedrijven worden getoetst aan het handboek 'Bedrijven en milieuzonering' waarin per bedrijfscategorie minimale afstanden worden aangegeven om afdoende bescherming te kunnen bieden ten opzichte van gevoelige objecten zoals woningen. De afstanden zijn hierbij nog uitgesplitst naar geur, stof, geluid en gevaar en er wordt een grootste afstand aangegeven. Deze genoemde afstanden zijn richtafstanden waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

Het bedrijventerrein, en met name de percelen gelegen aangrenzend aan onderhavig perceel, zijn bedoeld voor categorie 1 en 2 bedrijven, zoals aangegeven in het vigerend bestemmingsplan. In het handboek 'Bedrijven en milieuzonering' is aangegeven dat bedrijven in categorie 1 en bedrijven in categorie 2 minimale afstanden moeten aanhouden van respectievelijk 10 m en 30 m ten opzichte van gevoelge objecten, zoals woningen.

In de huidige situatie is de achtergevel van de woning Aaltenseweg 91 en het dichtstbijzijnde bedrijf gelegen op ongeveer 28 meter. In de gewenste situatie zal de nieuwe achtergevel komen te liggen op 23 meter van het dichtstbijzijnde bedrijf.

De minimaal aan te houden afstand van 30 m bij categorie 2 bedrijven is volgens het handboek gerelateerd aan het geluid. Om te bepalen of van deze afstand kan worden afgeweken heeft verzoeker een akoestisch onderzoek laten uitvoeren waarin de huidige situatie is doorgemeten en er is uitgegaan van een 'worst-case' scenario. Uit dit onderzoek blijkt dat er afdoende bescherming wordt geboden en dat het nu gevestigde bedrijf aan de geluidsvoorschriften uit de milieumelding kan voldoen bij een afstand van ongeveer 23 meter.

Met behulp van het akoestisch rapport wordt afgeweken van de richtafstand van 30 m voor categorie 2 bedrijven en is de nieuwe afstand van 23 m acceptabel om de toekomstige ontwikkelingen van de achterliggende bedrijven niet te belemmeren.

Het akoestisch rapport met nummer 2012102.RO1 is als bijlage bijgevoegd.

4.6 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.

Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:

  • 1. het aannemelijk is gemaakt dat het uitoefenen van deze bevoegdheden niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit opgenomen grenswaarde;
  • 2. het aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
  • 3. het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
  • 4. de uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 of artikel 5.13 lid 1 vastgesteld programma.

De hierboven aangegeven grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven

Stof   Grenswaarde  
SO2   350 ìg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  125 ìg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
NO2   200 ìg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  40 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010  
PM10   40 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  
  50 ìg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
Lood   0,5 ìg/ m³ als jaargemiddelde concentratie  
CO   10.000 ìg/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie  
C6H6   10 ìg/ m³ tot 1-1-2010 en 5 ìg/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie  

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen):

Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).

De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).

Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Met de voorgenomen ontwikkeling blijft het aantal woningen gelijk. Het gaat hier dus om minder woningen dan het hier genoemde criterium, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de ontwikkelingen aan de Aaltenseweg 91 te Lichtenvoorde.

4.7 Externe veiligheid

Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd. In de directe omgeving van het plangebied is de N318 gelegen (Hamelandweg) welke is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen.

Route voor gevaarlijke stoffen

Om te kunnen bepalen of het vervoer van gevaarlijke stoffen over een bepaalde route voldoet aan de externe veiligheidsnormen, moeten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) worden berekend. De circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' is hiervoor het toetsingskader.

Een gedetailleerde kwantitatieve risicoanalyse is echter niet altijd noodzakelijk. In de Handreiking externe veiligheid vervoer gevaarlijke stoffen (1998) en in het Paarse boek (CPR 18E 1999) worden vuistregels gegeven aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk is. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden dat deze vuistregels indicatief zijn. Ze houden geen rekening met details van de situatie die moeten worden beoordeeld zoals lokale variaties in bebouwingsdichtheid.

Plaatsgebonden risico (PR)

Rekening houdend met de vuistregels voor het plaatsgebonden risico is het aannemelijk dat de drempelwaarde voor het aantal vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen voor de Hamelandweg niet wordt overschreden zodat er geen risicocontour van de 10-6 bestaat.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is afhankelijk van de jaarlijkse frequentie van transportbewegingen, van de bevolkingsdichtheid langs de weg en van de afstand waarop de bevolking zich van de weg bevindt. Gelet op de vuistregels voor het groepsrisico wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Gelet op de intensiteit van de transporten met gevaarlijke stoffen over de N318 en gelet op de ruime afstand (ruim 300 meter) kan worden gesteld dat zowel de PR als het GR geen belemmering zal vormen voor het voorgenomen plan.

Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.

Het bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Inspraak

Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp projectafwijking voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen. Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 25 mei 2012 tot en met 5 juli 2012. Er zijn NB. zienswijzen ingediend.

5.2.2 Artikel 3.1.1.-overleg

In artikel 6.18 van het Besluit Omgevingsrecht is voor de projectafwijking (artikel 2.12. eerste lid a, onder 3) overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Door het ontbreken van provinciaal belang is het plan niet toegezonden naar de provincie Gelderland. Ook het belang van het Waterschap zal minimaal zijn zodat ook zij het plan niet toegezonden hebben gekregen. Beide diensten kunnen reageren op het ontwerpplan.